TORU TAKEMITSU 1930-1996; Helder als water

Nadat eind vorig jaar de Zuidkoreaan Isang Yun overleed, stierf gisteren in Tokio op 65-jarige leeftijd de Japanner Toru Takemitsu, de tweede grote Aziatische componist die streefde naar een synthese tussen oost en west.

Takemitsu werd op 8 oktober 1930 in Tokio geboren en begon op 16-jarige leeftijd als autodidact te componeren om zich in '48 voor drie jaar onder de hoede te scharen van Yasuji Kiyose. In 1951 stichtte Takemitsu tezamen met onder anderen de componist Jóji Yuasa en de pianist Takahari Sonoda het ensemble Jikken Kóbó (Experimentele werkplaats). Vier jaar later wijdde hij zich aan de 'musique concrète', die hem meer lag dan de strengere elektronische muziek.

Takemitsu's uiterst dichterlijke, transparante composities, buigzaam en sterk als bamboe en vervluchtigend en transparant als het water, werden meermalen bekroond, zoals in 1965 met de prijs van de ISCM voor het orkestwerk Textures. Maar het bekendst werd hij door zijn circa 35 filmmuzieken, waaronder Seppuku (1962), Kaidan (1964) en Gishiki (1971). In de periode '62-'75 won Takemitsu acht maal de Japanse nationale prijs voor filmmuziek.

Bernard Haitink dirigeerde in Nederland (ook op de plaat vastgelegd) zijn succesvolle November Steps uit 1967, voor het 125-jarig jubileum van het New York Philharmonic Orchestra geschreven in een voor die tijd karakteristieke synthese tussen het westerse orkest en een archaïserend Japans idioom middels instrumenten als biwa en shakuhachi. Jirí Kylián maakte in 1977 op November Steps een gelijknamige choreografie bij het Nederlands Danstheater en zette in 1983 Dreamtime op de gelijknamige muziek van Takemitsu uit 1981.Nog overtuigender dan November Steps, zij het minder spectaculair, klonk Riverrun uit 1984, een compositie voor piano en orkest, geïnspireerd door Finnegans Wake van James Joyce.

Het water als symbool voor een permanent vloeien werd Takemitsu's handelsmerk. En typisch voor het post-moderne componeren is hier de pianopartij in een 19e-eeuwse stijl. Het Asko Ensemble had veel succes met Archipelago S (1993), verwijzend naar de favoriete archipels van Takemitsu: die van Stockholm, Seattle en de eilanden in de Japanse binnenzee.

Zeer effectief is hier het ruimtelijke effect in instrumentale mini-eilandjes op het podium en typerend zijn de mengklanken van zachte strijkers met weke hoorns en een extra glans van aangestreken cymbalen. Takemitsu wist daarmee te woekeren als geen ander in een betoverende muziek, post-impressionistisch, maar wel degelijk persoonlijk in zijn filosofische houding.

In zijn geschrift Oto, chinmoku to hakariareru hodo ni (Toon met stilte gemeten) in een eigen uitgave in 1971 in Tokio gepubliceerd, ontvouwde hij zijn credo: een muziek in een gelijkwaardig contrapunt van klank en stilte, enigszins verwant aan de ideeën van de Amerikaan Morton Feldman.

Net als Feldman was Takemitsu jaloers op schilders die verschillende soorten groen kunnen toepassen, terwijl een bes van Takemitsu dezelfde bes blijft als die van Debussy en Messiaen, zijn grote voorbeelden. Takemitsu's klankideaal valt nog het beste te omschrijven als wisselende belichtingen op een deinend wateroppervlak.

    • Ernst Vermeulen