Pulp Fiction

Niet Godards A bout de souffle (1960), maar de tamme Amerikaanse remake Breathless (Jim McBride, 1983), was volgens Quentin Tarantino (1963) de eerste filmervaring die hem aan het denken zette.

Het is bijna te mooi om waar te zijn: de weg naar Godard loopt via Richard Gere. Het postmodernisme van Tarantino en zijn kompanen creëert zijn eigen mythen en waardeert epigonen per definitie hoger dan originele auteurs. Choqueerde de Nouvelle Vague door een pantheon te formeren voor B-filmers als Ray, Boetticher en Fuller, Tarantino citeert het liefst uit Hongkong-exploitatiefilms, obscure televisieseries of het werk van Godard-klonen.

Er zijn mensen die beweren dat een onvoorzien bijeffect van de opmars van de videorecorder de explosieve toename is van de filmische 'belezenheid' van de jongste generaties. Wie echt geïnteresseerd is in film, neemt niet meer uitsluitend genoegen met de eredienst van de projectie in het donker, maar zapt en spoelt er de rest van de week op los, om die ene scène te analyseren, er steeds opnieuw van te genieten en de kunst af te kijken.

Pulp Fiction (1994), de sleutelfilm van de 'sample'-generatie en, naar te voorspellen valt, van het laatste decennium van deze eeuw, is geen film over geweld en zelfs niet over 'genre', zoals regisseur-scenarist Tarantino zelf beweert (al hoor ik nog steeds filmmakers, soms niet de geringste, zich verbazen dat een film die Pulp Fiction heet zo veel waardering krijgt). De stelling dat taal het thema vormt van de film komt dichter in de buurt; het vermogen om zulke meeslepende en toch uit het leven gegrepen dialogen te schrijven, dat je ze bijna zo snel onthoudt als een songtekst, deelt Tarantino met tijdgenoten als Kevin Smith (Clerks), Christopher McQuarrie (scenarist van The Usual Suspects), Paul Auster (Smoke) en andere makers van door de taal voortgestuwde films.

Waar het volgens mij, na drie keer kijken, in Pulp Fiction echt om gaat is tijd: timing, toeval en geschiedenis. Niet alleen Bruce Willis' historische horloge wijst daarop, maar ook het even wachten voordat de twee moordenaars aankloppen, de race tegen de klok van John Travolta en Uma Thurman en de precisie van Harvey Keitel in het binnen de gestelde tijdslimiet oplossen van een probleem.

Tarantino 'jamt' als een musicus met ritme en stilte, laat Travolta en Thurman ongemakkelijk zwijgen in elkaars gezelschap. Alles is al eens gezegd en gedaan sinds 1955, het jaar nul van de populaire cultuur, het jaar van James Dean, Elvis Presley, Marilyn Monroe en Bill Haley. Wat Travolta en Thurman daar in die diner van Jackrabbit Slim samen doen is het wiel opnieuw uitvinden; maar dan in perfecte timing, zodat het beter wordt dan het ooit geweest is; of beter lijkt, onder invloed van grote hoeveelheden drugs, de brandstof van Tarantino's film.

    • Hans Beerekamp