Meer open-hartoperaties toegestaan door Borst

DEN HAAG, 21 FEBR. Het aantal open-hartoperaties bij volwassenen mag de komende jaren met 2 procent stijgen tot 15.200 in het jaar 2000. Door deze groei van 650 extra operaties in 1995 en 1996 hoeft naar verwachting niemand langer dan drie maanden te wachten op een operatie. Het aantal dotterbehandelingen kan eveneens met 2 procent per jaar stijgen tot ongeveer 12.400 in het jaar 2000.

Dit staat in een concept-besluit van minister Borst (Volksgezondheid) dat deze week naar alle betrokken instellingen is gestuurd. Na hun reacties wordt het besluit defintief vastgesteld.

De minister wil de kwaliteitseisen voor hartchirurgie en interventiecardiologie aanscherpen. Er moet een landelijk protocol zijn voor het stellen van de indicatie, dat geen ruimte meer laat voor verschillen in interpretatie. Daardoor worden patiënten in een vergelijkbare situatie, in welk ziekenhuis dan ook, gelijk behandeld. Ook moet er een goede landelijke registratie van wachtlijsten komen, gebaseerd op gemeenschappelijke criteria voor de gang van patiënten door de instellingen voor gezondheidszorg.

De minister wil verder dat (niet-acute) patiënten worden geïnformeerd over de mogelijkheden van behandeling in een ander ziekenhuis als er een wachttijd wordt voorzien van langer dan drie maanden. De instellingen moeten haar inzicht geven in de manier waarop ze dat doen.

Ondanks de groei van het aantal operaties blijft het aantal ziekenhuizen met een vergunning voor hartchirurgie en interventiecardiologie bij volwassenen gelijk. De minister gaat ervan uit dat de centra de groei aankunnen. Op dit moment hebben veertien ziekenhuizen een vergunning. Deze werken samen in tien centra, namelijk in Groningen, Zwolle, Nijmegen, Utrecht, Amsterdam, Leiden, Rotterdam, Breda, Eindhoven en Maastricht.

In Nederland is behoefte aan maximaal drie centra voor hartchirurgie en interventiecardiologie bij kinderen. Nu zijn er nog zes ziekenhuizen waar dit gebeurt (de academische ziekenhuizen in Groningen, Nijmegen en Leiden, het Wilhelmina Kinderziekenhuis Utrecht, het AMC Amsterdam en het Sophia Kinderziekenhuis Rotterdam). De minister gaat ervan uit dat het terugbrengen van het aantal centra van zes naar drie door de instellingen zelf wordt voorbereid. Over de wijze waarop dit zal gebeuren, heerst op dit moment nog geen consensus, aldus Borst.