Maazel stelt sfeer boven aanwijzingen

Concert: Pittsburgh Symphony Orchestra o.l.v. Lorin Maazel met werken B. Bartók en P.I Tsjaikovski. Gehoord: 20/2 Concertgebouw Amsterdam.

Dinsdag was het wellicht de laatste maal dat de nu 65-jarige Lorin Maazel in het Amsterdamse Concertgebouw te bewonderen was als chefdirigent van het honderd jaar oude Pittsburgh Symphony Orchestra. Komend seizoen zal Mariss Jansons hem opvolgen bij dit Amerikaanse ensemble dat onder André Previn en Maazel tot een toporkest is uitgegroeid. Zelf was Maazel ooit concertmeester van hetzelfde gezelschap, voordat zijn carrière een hoge vlucht nam en hij als eerste Amerikaan dirigeerde in Bayreuth. Hij werd directeur van de Deutsche Oper in Berlijn, van de Weense Staatsopera en zo meer. Een van de laatste keren dat hij in het Concertgebouw dirigeerde, was in 1987 toen hij er zijn Orchestre National de France leidde.

“Wat een dirigent doet, is een kader bieden, het tempo bepalen en vervolgens elke musicus veel ruimte laten om zich te kunnen uiten”, zo vertrouwde Maazel datzelfde jaar een journalist van The Guardian toe. Hoewel het natuurlijk een schromelijke simplificatie van het ambacht is, snijdt de uitspraak in Maazels geval wel hout. Vooral de individuele vrijheid van de musicus is, ondanks Maazels perfect gecontroleerde totaal, een wezenstrek van zijn benadering.

Zo tolereerde hij in de uitvoering van Tsjaikovski's Vierde symfonie verschillende articulaties van gelijkluidende motieven, en velerhande sterktegraden in de loopjes die van de ene houtblazer naar de ander worden doorgegeven. Daarmee is een essentieel verschil genoemd met Riccardo Chailly, die het Concertgebouworkest vorige week in dezelfde compositie voortdurend tot een evenwichtiger klankbalans probeerde te bewegen.

Waar Maazel zijn blazers in de Finale liet bulderen, hen toestond de strijkers soms knallend te overstemmen en de vuurpijlen van zestiende noten meer kleuring dan detail willen zijn, daar probeerde Chailly beide elementen in de partituur afzonderlijk tot hun recht te laten komen. De uit het hoofd dirigerende Maazel negeerde de wensen van de componist soms doelbewust omwille van de sfeer, zoals in het eerste deel van Tsjaikovski's symfonie, waar hij een prachtig ingetogen Ben sostenuto il tempo precedente neerzette, maar zonder de voorgeschreven wisselingen in volume.

Al in het Concert voor orkest van Béla Bartók had Maazel laten horen tot welke perfecte synchroniciteit zijn orkest in staat was. De fraseringen waren verregaand gepolitoerd, maar nergens té netjes of té geroutineerd. En dat geldt ook voor Maazels slagtechniek, waaraan het show-element niet geheel vreemd is. Wijdbeens shimmiede Maazel voor zijn orkest en als een volleerd mimicus schaduwde hij alle karakterwisselingen in de muziek. De opvatting dat dirigeren een beetje theater is, en concertbezoek een beetje feest, hoeft niet strijdig te zijn met de kwaliteit van een uitvoering. Zo onderstreepten ook de twee toegiften: Brahms' flamboyante Hongaarse dansen 1 en 5.