Greenpeace: 'grootste milieuramp uit de geschiedenis'; Vastgelopen tanker bij Wales dreigt in tweeën te breken

LONDEN, 21 FEBR. De olietanker Sea Empress die vijf dagen geleden voor de kust van Wales aan de grond liep, dreigt in tweeën te breken. Als pogingen het schip weer vlot te trekken falen, wacht Groot-Brittannië de grootste milieuramp uit de geschiedenis, zegt de milieu-actiegroep Greenpeace. In de tanker zit bijna 80.000 ton olie.

Negen sleepboten hebben gisteravond bij springtij tevergeefs geprobeerd de tanker naar dieper water te trekken. Vanavond zou met vijftien sleepboten een hernieuwde poging worden ondernomen. Naarmate het langer duurt het schip te redden, wordt de kans op slagen kleiner, omdat het getijdenverloop steeds ongunstiger wordt.

Uit de beschadigde tanker is al ruim 50.000 ton olie in zee gestroomd. De olielaag is ongeveer anderhalf bij twaalf kilometer lang en wordt voorlopig door aflandige wind van de kust weggehouden. Maar de olievlek bedreigt wel de vogelrijke eilanden Skomer en Skokholm. Een aantal trekvogels keert in deze periode juist terug uit het zuiden om te broeden op Skomer en Skokholm. De Dyfed Wildlife Trust, die op de bescherming van de vogels toeziet, heeft op de twee eilanden de noodtoestand uitgeroepen.

Milieu-organisaties en Britse oppositiepartijen hekelen in steeds fellere bewoordingen het 'lakse optreden' van de overheid. Labour stelt de regering voor de omvang van de milieuramp verantwoordelijk, omdat ze zou hebben verzuimd om tijdig maatregelen te nemen. Na het ongeluk met de tanker Braer bij de Shetland-eilanden, drie jaar geleden, had een commissie onder leiding van Lord Donaldson een aantal aanbevelingen gedaan om herhaling te voorkomen. Groot-Brittannië moest onder meer de beschikking krijgen over voldoende sleepboten met een groot vermogen en het bergingswerk diende beter georganiseerd te worden. Volgens Labour is dat niet gebeurd.

Ook bestuurder Tony Prater van de Britse Vogelbescherming vindt dat de reddingsoperatie niet adequaat is aangepakt. “De autoriteiten hadden de olievlek kunnen omkaderen en indammen. Nu hebben ze de vervuiling niet meer onder controle.” Simon Lyster, directeur-generaal van de Wildlife Trust, noemt de overheidsaanpak “een nationale schande”. Paul Horsman van Greenpeace zegt dat de ramp had kunnen worden voorkomen.

Maar Lord Goschen, de staatssecretaris voor scheepvaart, verdedigt de reddingsoperatie. Hij zegt dat de overheid alles heeft gedaan wat in haar macht lag. Volgens hem heeft het slechte weer de berging tot dusverre onmogelijk gemaakt.

Zeven Dakota-vliegtuigen van de marine vliegen voortdurend af en aan om de olievlek met chemicaliën te bestoken. Een scheikundige reactie moet voor de afbraak van de olie zorgen. Maar volgens dr. Sian Pullen van het World Wide Fund for Nature zijn ook die chemicaliën zelf weer vervuilend. Ze tasten de eitjes van vissen en de larven van schaaldieren aan.

De National Trust, die eigenaar is van zestig kilometer kust in het nabijgelegen Pembrokeshire National Park, voorspelt een catastrofe als de wind draait en de olie naar land wordt geblazen. Driehonderd mensen zijn langs de kust gestationeerd om onmiddellijk in actie te kunnen komen. In de buurt gelegerde NAVO-troepen zijn in staat van paraatheid gebracht.

    • Dick Wittenberg