Gerenoveerde zaal Tweede Kamer is geen 'verstoffende ruimte' meer

De gerenoveerde 'oude' vergaderzaal van de Tweede Kamer wordt morgen in gebruik genomen. Twee eeuwen parlementaire geschiedenis leidden tot “een ratjetoe van aan elkaar geplakte ruimten”.

DEN HAAG, 21 FEBR. Vijftien jaar heeft de Amsterdamse architect Pi de Bruijn aan het project gewerkt en wanneer morgen de 'oude zaal' officieel in gebruik wordt genomen, is de laatste fase van de nieuwbouw en uitbreiding van de Tweede Kamer afgerond. De Bruijn: “Om praktische redenen hebben we de bouw in stukken moeten hakken. Ik had natuurlijk liever het plan in één keer uitgevoerd, maar de Tweede Kamer wilde op locatie blijven werken. En daarom moest het hele bouwplan als een legpuzzel, stukje voor stukje, worden uitgevoerd.”

Trots loopt de architect door de gerenoveerde vergaderzaal. De zaal die iedere kiesgerechtigde Nederlander kent als de oude Tweede Kamer met de groene bankjes en de groene gordijnen. Sinds 1815 vergaderde de Tweede Kamer in de balzaal die voor het eerst is gebruikt bij het huwelijk van de dochter van Willem V. In 1795 nam de stadhouder in de balzaal afscheid van zijn hofhouding en vluchtte naar Engeland. In dezelfde zaal vond een jaar later de vergadering plaats van de Nationale Vergadering, de eerste door het Nederlandse volk gekozen volksvertegenwoordiging.

Twee eeuwen parlementaire geschiedenis leidden tot “een ratjetoe van aan elkaar geplakte ruimten”, zegt De Bruijn. De meest ingrijpende verbouwing had plaats in de jaren vijftig toen het aantal Kamerleden werd uitgebreid van honderd naar hondervijftig. De vloer werd uitgegraven om in de vorm van een amfitheater plaats te kunnen bieden aan alle Kamerleden, al moesten ze wel gedrieën in de groene bankjes zitten. De renovatie en nieuwbouw moet van de Tweede Kamer “een eigentijds vergader- en kantorencomplex” maken, aldus De Bruijn. De Kamer is een gewoon bedrijf geworden. “De Kamer is ineengeschrompeld van een theater tot een collegezaal”, zei voormalig Kamervoorzitter Dick Dolman bij zijn afscheid.

Met de verhuizing naar de nieuwbouw in 1992 was voorzien dat de oude vergaderzaal weer in de oorspronkelijke vorm zou worden teruggebracht. Maar naarmate de 'grote dag' van de verhuizing dichterbij kwam, nam de aarzeling onder de Kamerleden toe. Het culmineerde eind 1991 in een actie van het Kamerlid Bram Stemerdink (PvdA) om naast de nieuwe vergaderzaal ook de oude vergaderzaal in bestaande vorm te handhaven. De actie leek te lukken toen hij zesenzeventig handtekeningen had verzameld van collega's. Bij de stemming sneuvelde het plan toch. “Als dat plan was doorgegaan zou de zaal een verstoffende ruimte zijn geworden”, zegt De Bruijn. De Bruijn grijpt het onderwerp aan om een misverstand uit de wereld helpen. “De naam balzaal leidt tot verwarring. Er wordt niet alleen gefeest.” De zaal is bedoeld voor commissievergaderingen, hoorzittingen, recepties en “af en toe een feest”.

De groene bankjes werden gesloopt, de helft is nog te bewonderen in een aparte bezoekersruimte, waar sommige bezoekers hun naam krassen in het historisch groen. De verzonken vloer met amfitheater-opstelling is vervangen door een vlakke vloer. De twee balkons - oorspronkelijke niet voor publiek, maar voor musici bedoeld - zijn tot hun oorspronkelijke proportie teruggebracht. Op grond van een decoratieplan uit 1782 zijn zowel de wanden als het houtwerk voorzien van geschilderde marmerimitatie, zodat de zaal uit één blok marmer lijkt gehakt. Op de vloer ligt een mozaïektapijt van 32 losse tapijten van twee bij vier meter in verschillende kleuren. De vloer lijkt op een bollenveld “hetgeen in zijn veelkleurigheid een symbool vormt voor de Nederlandse democratie”, meldt een publicatie van de Rijksgebouwendienst.

Zowel het tapijt als de twee kolossale lichtsculpturen zijn een ontwerp van Jan van den Dobbelsteen. De kroonluchters hebben de vorm van twaalf vlakken van regelmatige vijfhoeken. In de blauwe ribben van de vlakken zijn tl-buizen verwerkt, waarvan het licht door ronde openingen naar buiten komt. Met de kleur blauw en het fel gekleurde kleed heeft de Eindhovense kunstenaar zich willen afzetten tegen de roomwitte entourage. De vorm, een zogeheten dodekaëder, is “een wiskundig lichaam geconstrueerd op basis van de geometrische maten van de zaal.”

Volgens De Bruijn heeft Nederland geen traditie waarin een overdaad aan goud past. Een ruimte voorzien van roomwit marmer, deuren in bronskleur en gedrapeerde gordijnen, is naar zijn oordeel chique genoeg. Maar een modern gebaar mocht niet ontbreken. “Het verleden moet je niet in gestolde vorm bewaren”, verdedigt Rijksbouwmeester Wietze Patijn de keuze voor het, inmiddels controversiële, werk van Van den Dobbelsteen.

In het oorspronkelijke plan wilde De Bruijn een voor het publiek toegankelijke corridor maken tussen de Hofplaats en Plein: een 20e eeuwse parallel met het 13e eeuwse Binnenhof. “Zoals het Binnenhof zich laat aflezen als een van de stad afgekeerde ommuurde vesting, wilde ik het nieuwe Kamergebouw juist zo maken dat de stad er door heen zou stromen”, zei hij bij zijn inaugurele rede aan de Technische Universiteit van Delft. Kamervoorzitter Wim Deetman stak er een stokje voor, in verband met de beveiliging. Maar tussen Hofplaats en Binnenhof boort zich door het Tweede Kamergebouw een overkapte steeg. “Daar is de kloof tussen politiek en burgerij minimaal”, schertst De Bruijn. “Een pikant hoogtepunt van de openbaarheid.”

    • Onze Cees Banning