Geest van Nix waait bij Dood Paard

Voorstelling: Tasso Casus Belli van Oscar van Woensel door Dood Paard. Spel: Oscar van Woensel, Kuno Bakker, Manja Topper. Gezien: 20/2 Theater Kikker Utrecht. Aldaar t/m 22/2. Tournee t/m 22/3

De onmacht is groot, de woede niet minder. “Terrorisme lijkt de enige weg te zijn/ om iets belangwekkends te bereiken bedoel ik/ om iets te veranderen/ iets te bewerkstelligen/ iets wat zin heeft.”

De woorden komen uit de mond van Tasso, dichter in een kooi zonder tralies. Anders dan zijn naamgenoot, de zestiende-eeuwse dichter Torquato Tasso die in Goethes gelijknamige toneelstuk zoekt naar een compromis tussen kunst en politiek, is de door Oscar van Woensel geportretteerde kunstenaar in Tasso Casus Belli opstandig en vechtlustig. Ja, zelfs moordlustig. De gedachte aan 'een verschrikkelijke oorlog' houdt hem bezig. Een oorlog tegen tegen alles en iedereen, maar vooral tegen de systemen en structuren die de vrije wil aan banden leggen en de kunstenaar degraderen tot een loonslaaf van zijn opdrachtgever.

Vrije wil is een sleutelbegrip in deze voorstelling van Dood Paard. Tasso Casus Belli klinkt als een hartekreet van een nog jong gezelschap dat eigengereidheid en onafhankelijkheid hoog in het vaandel heeft en wild om zich heen trapt als de artistieke vrijheid in het geding komt en geld en mecenas belangrijker worden dan de kunstenaar. Zo moet de subsidie verlenende provincie Gelderland het ontgelden in een sarcastische lofzang op die provincie en ook de toneelcritici die maar wat aanhobbyen en meeblaten met de andere schapen om hen heen krijgen ervan langs.

Dood Paard richt de pijlen echter niet alleen op het kunstcircuit, feitelijk is heel de samenleving het mikpunt van hun rancuneuze spot en daarbij sparen ze, eerlijk is eerlijk, hun eigen generatie evenmin. Het is de generatie van de twintigers en dertigers, een lamgeslagen groep die geen doel meer ziet om voor te strijden en de schuld voor haar inertie legt bij de vaders en de moeders. Niks heeft zin en wat doet het ertoe - dat is, samengevat, de diagnose van een generatie die zich ondergeschikt weet aan de gevestigde orde, aan de regels en het systeem. De geest van de schrijversgeneratie Nix lijkt naar het theater overgewaaid.

Uit de tekst spreekt een sterk gevoel van machteloosheid. Tasso, wiens in stukken geknipte verhaal door het stuk heen is gevlochten, belichaamt die machteloosheid, ondanks alle oorlogszuchtige taal. Met zijn kunst wil het niet lukken en met de liefde zal het nooit wat worden. Tekenend is dat hij, of liever gezegd zij want de rol wordt gespeeld door Manja Topper, overgeleverd blijkt aan de grillen van de opdrachtgevers die haar in haar kruis grijpen en naar de zijlijn werken waarmee ze voorgoed buiten spel is gezet.

Manja Topper, getooid met een lauwerkrans op het hoofd, heeft al die tijd niet alleen gesproken uit naam van de dichter maar ook namens zichzelf. Hetzelfde geldt voor Oscar van Woensel en Kuno Bakker die bij het verwoorden van hun preoccupaties op zoek gaan naar aanknopingspunten in de levens en karakters van hertog Alfonso, respectievelijk de politicus Antonio.

Het drietal speelt de fragmentarische tekst in fors tempo. De voorstelling krijgt daardoor, ondanks al het gesomber, een lichte toon en het valt niet te loochenen dat er verscheidene amusante scènes zijn. Toch heeft het ook iets zelfgenoegzaams, al die verontwaardiging en dat ijdele geklaag. Het belang ervan is lang niet altijd even duidelijk.