'Economische analyse wordt beter als je ook rekening houdt met de liefde'

De Amerikaanse hoogleraar McCloskey werd beroemd met analyses van de economische retorica: de verbale stijlmiddelen die economen gebruiken om de politiek te overtuigen. Economen slagen er volgens haar nooit in iets te voorspellen dat ook feitelijk gebeurt. Gesprek met Deirdre, voorheen Donald, McCloskey over de verkwanseling van het gedachtengoed van Adam Smith, transseksualiteit en de rationele mens.

Donald Nansen McCloskey is het voorbeeld van een spraakmakend econoom die binnen een paar jaar een opmerkelijke faam heeft opgebouwd met slechts enkele publicaties. Met 'The rhetoric of economics' creëerde hij in de jaren tachtig een eigen vakgebied. De resultaten van zijn bespiegelingen zijn verrassend, triviaal of verwerpelijk, maar ze hebben in elk geval tot een fikse discussie geleid.

De Amerikaanse historicus houdt van het debat. Hij is een meeslepend schrijver die put uit literatuur, historie, ethiek, linguïstiek en poëzie. Zijn werk is niet vrij van innerlijke tegenspraak, maar als een sofist van de twintigste eeuw probeert McCloskey de maatschappelijke discussie te voeden. Maar sinds vorig jaar neemt Donald McCloskey als zodanig niet meer deel aan het discours. Die plaats wordt nu ingenomen door Deirdre Nansen McCloskey, een vrouw. “Sinds mijn tiende verlangde ik ernaar vrouw te zijn. Ik heb altijd gedacht dat het niet mogelijk en niet praktisch was. Totdat ik via Internet in contact kwam met transseksuelen. Via e-mail hebben ze me overtuigd dat het mogelijk was en dat de praktische problemen erg meevielen. Na een emotionele worsteling van ruim veertig jaar heb ik vorig jaar de knoop doorgehakt.”

McCloskey is geboren in Ann Arbor (Michigan) in 1942. Na een economie-studie aan Harvard, doceerde hij aan de universiteit van Chicago en in 1980 werd hij hoogleraar aan de universiteit van Iowa. Op dit moment bekleedt zij de Tinbergen-leerstoel aan de Erasmus-universiteit. Het gedachtengoed van 'Chicago' en met name van de belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming, Nobelprijs-winnaar Milton Friedman, is McCloskey trouw gebleven. Chicago-economen willen alles overlaten aan het marktmechanisme. De verkruimeling van de Sovjet-economie beschouwen ze als de bevestiging van hun gedachtengoed: de overwinning van het liberalisme.

Maar een parade van politici, economen, ondernemers en intellectuelen maakt zich - ieder met eigen argumenten - op dit moment zorgen over de samenleving waarin het marktmechanisme en het liberalisme domineren. De samenleving verkilt en desintegratie dreigt. De 'verontrusten' zoeken naar een nieuwe balans tussen staat en markt, naar een evenwicht tussen individualisering en gemeenschapszin, tussen eigen en algemeen belang. Tot die groep behoort McCloskey.

“Ik blijf een Chicago-econoom”, zegt McCloskey stellig. “Maar mijn persoonlijke ervaringen zullen ongetwijfeld doorwerken in mijn theorie. Ik vind dat er in de economie meer aandacht moet komen voor burgerlijke waarden en gemeenschapszin. Economie is verworden tot een wetenschap die abstraheert van liefde.” Haar verklaring is dat het vak wordt gedomineerd door mannen. Het naslagwerk 'Great economists since Keynes' telt 99 mannen en 1 vrouw. In de volgende editie zullen dat er twee zijn: Joan Robinson en Deirdre McCloskey. “Ik geef toe dat mijn bijdrage om meer vrouwen een prominente rol te laten spelen in de economie vrij drastisch is.”

De economische theorie van burgerlijke waarden, gemeenschapszin en liefde zou zijn tweede aanvulling op de economische wetenschap kunnen zijn. Volgens haar moeten sociale cohesie en solidariteit een plaats krijgen in de economische wetenschap. “Globalisering is een holle frase als je ziek op bed ligt. Dan wil je een pannetje soep van de buurvrouw. Er is een ethiek van zorgen, die aan de economie voorbijgaat. De kwantitatieve benadering van het vak is daar een oorzaak van.”

Een decennium geleden creëerde McCloskey zijn eerste eigen vakgebied: de economische retorica. Retoriek heeft in het Nederlands een negatieve lading. Woorden worden retorisch genoemd om zich ervan te distantiëren. McCloskey kiest voor de oorspronkelijke, neutrale betekenis: de kunst van het overtuigen. “We zijn de hele dag bezig met het overtuigen van mensen, het uitwisselen van argumenten. Arjo Klamer en ik hebben berekend dat in democratieën als de Verenigde Staten en Nederland een kwart van het nationaal product wordt verdiend met argumenteren.” Erasmus-professor Klamer en McCloskey onderzoeken op dit moment de 'waarde van cultuur'.

Collega's noemen McCloskey als potentiële Nobelprijswinnaar wegens zijn bijdrage aan de wetenschap. Kan een transseksuele vrouw de Nobelprijs voor economie winnen? “Een vrouw kan de prijs winnen”, zegt ze beslist. “Het is een schande dat Joan Robinson de Nobelprijs nooit heeft gewonnen. Zij is de enige vrouw die een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de economische theorie. Mijn bijdrage heeft niet het wetenschappelijke niveau van Robinson. Kan een transseksueel de Nobelprijs winnen?” De vingertoppen worden tegen elkaar geduwd, de woorden en nuances zorgvuldig gezocht. “Het Nobelprijs-comité geeft een wetenschappelijk oordeel, geen seksistisch oordeel. Ik zou het geweldig vinden. In een lange zwarte japon de prijs in ontvangst nemen uit handen van koning Carl Gustaf. Geweldig, maar ik sluit het uit. Voor de vrouwen zou het ook geen goede zaak zijn. Ik kan mijn verleden als man niet verloochenen. Ik kan nooit honderd procent vrouw zijn omdat ik geen meisje ben geweest.”

De raadgevers per e-mail adviseerden zijn initialen niet te veranderen. “Net als aanstaande ouders heb ik in een boekje met namen gebladerd op zoek naar een naam die met een D begint. Diana vond ik mooi, maar zo heet al een tante. Het is uiteindelijk Deirdre geworden, evenals Donald een Ierse naam. Donald betekent wereldheerser, Deirdre de nieuwsgierige. Nomen est omen.”

Eind 1995, voor de jaarlijkse bijeenkomst van de gezaghebbende America Economics Association in San Francisco, bracht McCloskey de collega's via e-mail op de hoogte van zijn geslachtsverandering. “Ik denk dat ik sommige kwesties anders zal benaderen, maar verwacht geen bekering tot het marxisme.”

Haar collega's reageerden 'verbazend positief'. “Ik was ontzettend nerveus voor de ontmoeting met de Association, maar mijn collega's probeerden me consequent 'she' te noemen. Tijdens het congres heb ik bewezen dat ik mijn vak versta; ook als een vrouw.”

McCloskey is de eerste die het economen-debat aan een retorische analyse heeft onderworpen. 'The rhetoric of economics' bestrijdt de gedachte dat de economie een exacte wetenschap is naar natuurwetenschappelijk model. Het centrale thema is de verkramptheid van economen. De doorsnee-econoom doet alsof hij objectief en waardevrij opereert, terwijl juist in de economie het overtuigen van mensen zo'n grote rol speelt. Om dat te illustreren worden de presenteer-technieken van gerenommeerde economen als Paul Samuelson, Robert Solow en Gary Becker aan een analyse onderworpen. Ze trekken de trukendoos open: ironie, wiskundige formules, zelfspot, beroep op autoriteit, humor, metaforen. Alles wordt in de strijd geworpen om te overtuigen. De afstand tussen retorische praktijk en methodologische striktheid wordt stelselmatig verdrongen, en dat levert economen een gebrek aan zelfkennis op.

McCloskey toont aan dat voor het beïnvloeden van beleidsprocessen meer nodig is dan een doorwrochte theorie. “De theorie van Keynes kreeg al voor de Tweede Wereldoorlog invloed op het beleid. Toch werd de theorie pas in de jaren vijftig op een wetenschappelijke manier getoetst. Keynes verstond de kunst van het overtuigen. Hij speelde met metaforen, zoals het begrip 'animal spirits'. Niet de hoogte van de rente is een cruciale factor voor investeringen door ondernemers, maar het gevoel dat ze hun product kunnen verkopen.”

John Maynard Keynes (1883-1946) had voor de acceptatie van zijn ideeën ook de tijdgeest mee. De depressie van de jaren dertig met de hoge werkloosheid bewees het onvermogen van de klassieke economie. Volgens Keynes moet de overheid een actieve rol spelen. Met het verhogen van de overheidsuitgaven of het verlagen van de belastingtarieven kan de overheid een terugval in de vraag van de consument compenseren waardoor een recessie kan worden voorkomen. In een periode van hoogconjunctuur moet de overheid gas terugnemen en reserves creëren voor een volgende recessie.

In de jaren zeventig kwam de keynesiaanse theorie onder vuur te liggen. De wetenschappelijke kritiek nam toe en beleidsmakers stuitten op praktische bezwaren. De economische gevolgen van de oliecrises van 1973 en 1979 konden met een keynesiaans beleid niet worden gepareerd.

De Chicago-school onder aanvoering van Milton Friedman opende de aanval op de keynesiaanse leer. De Britse premier Margaret Thatcher en de Amerikaanse president Ronald Reagan brachten de theorieën van Friedman in praktijk. Het beleid was gericht op beperking van overheidstaken, vermindering van regelgeving, privatisering van staatsbedrijven en verlaging van belastingen.

“Ik vind dat de rol van de overheid bescheiden moet zijn. Interventie door de staat in het economisch proces gebeurt vaak met het argument dat de armen moeten worden geholpen, maar meestal werkt het negatief uit. De taak van de overheid op het terrein van de sociale zekerheid is beperkt. Als kapitalisme slecht zou zijn voor de armen, zou ik tegen het systeem zijn.”

U bent niet altijd een fel verdediger van het kapitalistisch systeem geweest.

“Dat klopt. Veel mensen gaan economie studeren om de wereld te redden. Ik ook. Ik was zeer betrokken bij de vraagstukken ten aanzien van de Derde wereld. Het bestrijden van de armoede in de wereld was en is mijn ambitie. Maar al studerend ontdek je de beperkingen van de economische wetenschap. Ik heb me dus ook niet kunnen onttrekken aan een verschijnsel dat zich bij veel economen voordoet, namelijk dat ze tijdens hun studie meer begrip krijgen voor het kapitalisme en de werking van het vrije marktmechanisme. Het sturend vermogen van de overheid is beperkt omdat de samenleving complex is en menselijke gedrag onvoorspelbaar.”

Heeft uw geslachtsverandering geleid tot een andere kijk op de economie?

“Absoluut. Toen ik wakker werd uit de narcose was mijn economisch gedachtengoed natuurlijk niet radicaal veranderd, maar in de loop van mijn leven ben ik tot andere economische en maatschappelijke inzichten gekomen.”

Kunt u dat concretiseren?

“Als Chicago-econoom pleit ik voor een kleine overheid. Ik vind dat de overheid veel taken op zich heeft genomen die niet de zaak van de overheid zijn. In reactie op de crisis in de jaren dertig is in Europa de verzorgingsstaat opgetuigd. Het blijkt niet de oplossing te zijn, want de bureaucratie werkt verlammend. De staatszorg leidde tot verlies aan motivatie en gaf de verkeerde prikkels. Burgers schuiven hun verantwoordelijkheid af op de staat. Voor gemeenschapszin is in de economie geen plaats. Economie is een wetenschap zonder liefde geworden.”

Als Chicago-econoom wilt u zich bezig gaan houden met de liefde?

“De economische analyse wordt beter wanneer je ook rekening houdt met burgerlijke waarden, gemeenschapszin, liefde, de verschillen tussen mannen en vrouwen. In de economie staat de rationeel handelende mens centraal. Onzin. Het milieubeleid zou anders zijn wanneer meer rekening wordt gehouden met vrouwen. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen meer betrokken zijn bij het probleem van de milieuvervuiling dan mannen. Wanneer economen en politici daar rekening mee zouden houden, zou het onderwerp hoger op de agenda staan. Het zijn voor mij nieuwe gedachten, maar in essentie komt het neer op een reveil van het gedachtengoed van Adam Smith.

“In de wetenschappelijke traditie van de achttiende eeuw beschouwde Smith zijn onderwerp en trachtte er een verklaring voor te vinden. In 'The wealth of nations' geeft hij antwoord op de vraag waarom sommige landen welvarender zijn dan andere landen. Het boek dat in 1776 verscheen, heette niet voor niets 'An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations'.

“In tegenstelling tot de communis opinio is 'The wealth of nations' absoluut geen pure lofprijzing en verdediging van de krachten van de vrije markt. Margaret Thatchers uitspraak 'Er bestaat niet zoiets als de samenleving' druist geheel in tegen de geest van Adam Smith die juist grote waarde hecht aan begrippen als samenleving en gezin.”

De klassieke econoom Smith heeft het antwoord voor mensen die zoeken naar een nieuwe balans tussen staat en markt, naar een evenwicht tussen individualisering en gemeenschapszin, tussen eigenbelang en algemeen belang?

“Niet het antwoord, maar hij eist de aandacht voor onderwerpen die aan de aandacht zijn ontsnapt. In 'The theory of moral sentiments' dat hij zeventien jaar eerder publiceerde dan 'The wealth of nations', plaatst Smith het streven naar eigenbelang in het licht van het algemeen belang. De 'natuurlijke sympathie' van de mens voor de medemens beschouwt hij als de basis van alle morele gevoelens. 'The theory of moral sentiments' gaat over de liefde.

“Hij zag de neiging tot zelfbeheersing niet als uiting van utilitarisme, maar als iets natuurlijks. Zelfbeheersing ontstaat in een systeem waarin mensen hun eigenbelang nastreven gewoon wegens de praktische waarde van een dergelijke inperking. Het leven zou ondraaglijk zijn als iedereen zou frauderen, plunderen en moorden.

“Het morele klimaat waarin economie en maatschappij functioneren is ook belangrijk in 'The wealth of nations'. Het verlicht nastreven van eigenbelang beschouwde Smith als de drijvende kracht van een succesvolle economie. Maar de staat moet macht naar zich toe trekken om het morele kader te ondersteunen. Smith doelde daarmee niet alleen op het gerechtelijke systeem, hij was ook zeer begaan met de kwaliteit van het leven van de armen. Hij omschreef de levensstandaard ook in morele termen. De staat moet onderwijs van een zodanige kwaliteit bieden dat iedere burger een behoorlijk niveau van intellectuele en maatschappelijke deugdzaamheid zou kunnen bereiken.”

Maar het belang dat Smith hechtte aan het algemene waardepatroon waarin de economie functioneert, werd toch genegeerd door de economen van de negentiende en twintigste eeuw?

“Men herinnert zich alleen het individuele eigenbelang waarop zijn economie is gebaseerd, maar niet het morele kader. Dat kader, de maatschappelijke waarden, de sociale cohesie zijn belangrijk voor bijvoorbeeld de verklaring van de welvaart van een land. Net als een kreeft is sociale cohesie moeilijk exact te omschrijven, maar wel onmiddellijk te herkennen als men ermee wordt geconfronteerd. Nederland heeft met de overlegeconomie een unieke sociale cohesie. Ik wil onderzoeken wat de gevolgen zijn van de burgerlijke waarden voor de economische ontwikkeling.”

Hoe verklaart u de verkwanseling van het gedachtengoed van Adam Smith?

“De klassieke economen zagen in de praktijk hoe krachtig de markteconomie potentieel is. De boodschap van Smith is de afgelopen tweehonderd jaar op groteske wijze verdraaid. In de negentiende eeuw is de economische wetenschap gegijzeld door een benadering die vandaag nog de toon zet in het debat. Onderzoeksmethoden waren gebaseerd op het verlangen de wiskundige precisie van het vak te vergroten, zodat het kon delen in de status en het prestige van de natuurwetenschappen in de negentiende eeuw. Ethiek wordt techniek.”

In deze eeuw heeft Jan Tinbergen daar een substantiële bijdrage aan geleverd.

“Het valt me zwaar om kritiek op hem te uiten, immers de leerstoel die ik bekleed is naar hem vernoemd, maar hij heeft sterk bijgedragen aan een technocratische manier van economie beoefenen. Toen ik tijdens mijn studie aan Harvard kennismaakte met de theorie van Tinbergen was ik laaiend enthousiast: voorspellen en controleren. Later ervoer ik dat de samenleving zich niet in een model laat stoppen.

“Economen moeten weer filosofen worden. Niet de meccano-economen die ze nu zijn. Veel jongens sleutelden vroeger met de meccano-doos en nu sleutelen ze aan economische modellen. Het meccano-denken is een gevaar voor de samenleving.”

De mogelijkheden van de economie als wetenschap worden overschat.

“Absoluut. Ik heb een boek geschreven 'If you are so smart: the narrative of economic expertise'. In dit boek bewijs ik dat economie een historische en filosofische wetenschap is en niet in staat om de toekomst te voorspellen. Immers dan zouden alle economen in staat zijn om vermogens te vergaren op de effectenbeurzen. Economen spelen een belangrijke rol in het maatschappelijke debat en doen de ene voorspelling na de andere. Waarom komen die nooit uit? Waarom slagen economen er nooit in iets te voorspellen dat wél gebeurt? De crisis van de jaren dertig, de ineenstorting van de Sovjet-economie, de opkomst van Japan.

“De overheid moet de voorwaarden creëren voor de optimale werking van het vrije-marktmechanisme. En wanneer de staat ingrijpt, moet worden voldaan aan de menselijke maat. Sociaal beleid is niet iets voor bureaucraten. De rol van de staat moet worden teruggedrongen en ruimte maken voor andere verantwoordelijkheden. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat ernstig zieke mensen het liefst worden geholpen door familie of bekenden. Bij de inrichting van de samenleving zou je rekening kunnen houden met deze wens. Een efficiënt sociaal beleid kun je niet voeren als je geen inzicht hebt in begrippen als liefde en gemeenschapszin.”

    • Cees Banning