Theologen laten het gevoel spreken in plaats van het argument

Theologie is een teugelloze bezigheid, geen echte wetenschap, betoogde Herman Philipse op deze pagina. Het vak hoort niet thuis aan een openbare universiteit. Theologen en andere critici verweten Philipse een onjuiste weergave van de theologie en, vooral, een te enge definitie van wetenschap. Hij weet veel te zeker wat we wèl en niet kunnen weten, meende bijvoorbeeld de theoloog H.M. Kuitert. Wat blijft er dan over van zijn eigen vak, de filosofie? Daarover hoeven we ons geen zorgen te maken, antwoordt Philipse. Die kritiek berust namelijk op begripsverwarring.

“Never mention religion if you can possibly avoid it, schreef George Orwell op 11 april 1940 aan Humphry House. De wijsheid van deze vuistregel werd ik gewaar bij het lezen van de stroom reacties op mijn artikel 'De teugelloosheid van de theologie', dat op 4 januari in deze krant verscheen. Want theologie is als de veelkoppige Hydra: voor elke afgeslagen kop, dat wil zeggen voor elke weerlegde theologische doctrine, komen er tien nieuwe in de plaats.

In mijn stuk betoogde ik dat theologie geen wetenschap kan zijn en concludeerde dat ze niet thuishoort in het wetenschappelijk onderwijs. Daarbij nam ik de term 'theologie' in de letterlijke betekenis van spreken over God (theo-logia). Theologen zaaien verwarring door ook de godsdienstwetenschappen als 'theologie' te betitelen. Godsdienstgeschiedenis, godsdienstvergelijking, of godsdienstsociologie kunnen op wetenschappelijke wijze beoefend worden, wat bij de theologie onmogelijk is. Ik stel daarom voor de naam 'theologische faculteiten' aan Nederlandse universiteiten te veranderen in 'faculteiten voor theologie en godsdienstwetenschap'. Dan ziet men duidelijker dat een deel van het onderzoek aan deze faculteiten geen wetenschap is.

Dat theologie niet wetenschappelijk beoefend kan worden, is geen opzienbarende stelling. Van de vele mogelijke argumenten ervoor bracht ik er twee naar voren. Het eerste was dat theologische interpretatie van de Bijbel (of de Koran, of welke 'openbaring' dan ook) staat voor een onoplosbaar dilemma. Moet men met behulp van rede en wetenschappelijke kennis beoordelen wat men van een 'openbaring' kan geloven? Dan ontkent men impliciet het openbaringskarakter, terwijl niets van de traditionele geloofsinhoud, die het bovennatuurlijke betreft, de toets van rede en wetenschap kan doorstaan. Of moet men wetenschap en rede geheel uitsluiten en letterlijk geloven wat er staat? Door zo'n fundamentalistische strategie plaatst men zich buiten de moderne cultuur. De poging beide horens van dit dilemma te vermijden door nu eens de rede te volgen en dan weer de letterlijke tekst, ten slotte, leidt tot willekeur. Een dergelijke willekeur is niet verenigbaar met de wetenschappelijke methode, zodat theologische interpretatie van een tekst als 'Gods woord' nooit wetenschappelijk kan zijn.

In zijn reactie schrijft de emeritus hoogleraar in de theologie H.M. Kuitert dat ik de vraagstelling niet “verder help” met dergelijke argumentaties. Ik zou “veel te snel weten wat we wel en niet kunnen weten”. Laten we proberen er achter te komen wat Kuitert met deze vage verwijten bedoelt. Theologische kennis, meent hij, is op te vatten als een hypothese over het goddelijke. Voor het opstellen daarvan “mag alles dienen, elke ingeving, elke brain wave van de Heilige Geest”. Daarom ontkent Kuitert dat de Bijbel de maatgevende openbaring is. “Als je niet van geopenbaarde waarheden uitgaat, mag iedereen meedoen, ook Philipse”, schrijft hij ruimhartig. Natuurlijk moeten de theologische hypothesen wel getoetst worden. Kuitert pleit uitdrukkelijk voor toetsing: “van de mogelijkheid daartoe maak ik de aanwezigheid van theologiebeoefening aan de universiteit afhankelijk”. In zijn Filosofie van de theologie pretendeert Kuitert dat juist de toetsing van theologische hypothesen de theologie tot wetenschap maakt en haar daardoor burgerrecht aan de universiteiten verleent.

Maar hier zit een addertje onder het gras en dat was mijn tweede argument. Theologische hypothesen over God of goden zijn niet 'toetsbaar' in de zin waarin wetenschappelijke hypothesen dat zijn, zodat sprake is van een fallacy of ambiguity. Kuitert meent dat theologische hypothesen getoetst kunnen worden door een mystieke ervaring van God. Ik bracht daar tegen in dat het woordje 'ervaring' hier geheel anders wordt gebruikt dan in tractaten over de methoden van de empirische wetenschappen, waarin 'ervaring' steeds staat voor een intersubjectief controleerbare ervaring. Kortom, theologie is geen ervaringswetenschap, omdat de (vermeende) Godservaringen oncontroleerbaar zijn. Op dit punt komt de theoloog De Haas mij te hulp met wat hij noemt “het belangrijkste intellectuele argument” dat de visie van Kuitert ontkracht: het blijkt dat zogenaamde godservaringen cultuurbepaald zijn en van cultuur tot cultuur verschillen. Daarom valt het moeilijk staande te houden dat ze betrekking hebben op een onafhankelijke realiteit.

Wat antwoordt Kuitert op mijn tweede argument? Hij lijkt te betogen dat ik zijn conceptie van het toetsen van theologische hypothesen heb onderschat, want hij schrijft: “Ik beweer niet dat het zo simpel zit met dat toetsen. Het kost tijd, zo niet eeuwigheid. Hopelijk leest Philipse niet over zulke regeltjes heen.” Ik citeer dit even, om te bewijzen dat ik het regeltje gelezen heb. Maar wat bedoelt Kuitert? Meent hij dat theologische kennispretenties pas in de 'eeuwigheid', dat wil zeggen in het hiernamaals getoetst kunnen worden? Nu blijkt eindelijk waarom ik volgens Kuitert “veel te snel” zou “weten wat weten is”: ik ben nog niet de eeuwigheid ingegaan!

Als Kuitert dit bedoelt - wat kan hij anders bedoelen? - dan heeft hij mijn tweede argument bepaald niet weerlegd. Ook toetsing in de eeuwigheid is niet toetsing in de zin van de wetenschappelijke methode. De gedachte dat iets van ons de dood zou kunnen overleven en dan tot toetsen in staat zou zijn, is onverenigbaar met de moderne wetenschap. Kuiterts idee van toetsing in de eeuwigheid is een religieuze wensdroom, geen serieus voorstel voor een wetenschappelijke procedure in de theologie.

Misschien meent Kuitert het allemaal niet zo ernstig met dat toetsen en die wetenschappelijkheid in de theologie. Want hij zegt dat hij zijn model van theologie als wetenschap alleen maar “bij wijze van spel” heeft opgesteld. Als de theologie de toets van wetenschappelijkheid niet mocht overleven, dan vindt hij dat ook niet zo erg: “In elk geval wordt ze er veel spannender van...” Indien Philipse zegt dat theologie onzin is “dan telt dat mee”, schrijft hij joviaal. En hij vervolgt: “Alleen, de argumenten moeten dan wel wat beter uit de verf komen. Zo eenvoudig als hij (Philipse) de zaken voorstelt, liggen ze niet. Door de eeuwen heen is er een vracht aan theologie geleverd, en al was er maar tien procent daarvan zinvol, dan nog is het leuke van theologie dat je zin en onzin uit elkaar kunt houden.”

Het zijn zulke passages die de echte wetenschappelijk onderzoeker mateloos zullen ergeren. Aanvankelijk betoogt Kuitert met veel poeha dat theologie een wetenschap is. Maar even later zegt hij dat het hele model van theologie als wetenschap louter bij wijze van spelletje is ontwikkeld. Ergens diep in zijn hart moet Kuitert denken: God bestaat lekker toch, dat is het belangrijkste. En als ze van mij eisen dat ik wetenschap beoefen, dan zeg ik toch gewoon dat ik dat doe? Als we een moment nadenken over Kuiterts opvatting van de theologie als wetenschap, zien we dat hij deze opvatting zelfs niet ernstig kan bedoelen.

Het probleem is namelijk dat Kuitert, indien hij zijn eigen wetenschapstheoretische prietpraat au sérieux zou nemen, geen enkele goede reden meer kan hebben om Christen te blijven. Laten we met Kuitert aannemen dat theologie bestaat in het opstellen van hypothesen en dat theologische hypothesen pas in het hiernamaals getoetst zullen worden. Dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat Kuitert na zijn dood door Charon de Styx wordt overgeroeid en in de Griekse Hades belandt (altijd nog beter dan de Christelijke hel). Met andere woorden: zijn visie op theologie als hypothetisch-deductieve wetenschap met toetsing in het hiernamaals ontzegt aan Kuitert het recht om uitsluitend te wedden op de Christelijke hypothese, in plaats van op de theologie van de Edda, de Griekse mythologie, of de religie van de Abiponen. Kortom, Kuitert staat voor een keus waaraan hij niet kan ontsnappen. Hij moet ofwel zijn voorkeur voor het protestantse Christendom opgeven, of bekennen dat zijn breed geëtaleerde wetenschappelijke redelijkheid niet meer is dan window dressing.

Volgens de theoloog Manenschijn is het onduidelijk op welke gronden ik stel dat theologie geen wetenschap kan zijn. Hanteer ik soms “een natuurwetenschappelijk paradigma”? Of behoor ik tot de stroming van het “atheïstisch rationalisme”? In deze gevallen zou mijn stelling triviaal zijn en berusten op “een sterk gereduceerd model”. Bij nader inzien is deze wetenschapstheoretische scherpslijperij niet meer dan een rookgordijn. Want Manenschijn wijst de conceptie van theologie als wetenschap, zoals die door Kuitert werd ontwikkeld, af op precies dezelfde gronden als ik, waar hij schrijft: “Religieuze ervaring is niet op dezelfde wijze toetsbaar als een experiment dat is, want daarvoor ontbreken de middelen”.

Verdient de theologie desondanks een plaats in het wetenschappelijk onderwijs? Of is het beter de door de overheid bekostigde universitaire theologie op te heffen en de godsdienstwetenschappen onder te brengen waar ze eigenlijk thuishoren: in de literaire en sociaalwetenschappelijke faculteiten? Moet ook ons systeem van door de overheid betaalde universiteiten op religieuze basis, zoals de VU, Nijmegen of Tilburg, niet op de helling? En wat te denken van de katholieke en gereformeerde theologische universiteiten in Utrecht en Kampen, en van de humanistische universiteit te Utrecht? Dat zijn vragen waarover verschillende meningen te verdedigen zijn en die thuishoren in het nationale kennisdebat waartoe minister Ritzen heeft opgeroepen. Mijns inziens wordt het bijna een eeuw na de schoolstrijd hoog tijd om ze te stellen, mede gezien de toenemende ontkerkelijking in Nederland.

Hans Roskam noemt mijn opmerking over de confessionele universiteiten “flauw”. Terecht zegt hij: “Het confessionele aspect is een maatschappelijk belang, geen wetenschappelijk.” Maar de vraag is: heeft dit belang nog voldoende draagkracht bij de belastingbetaler? In een land als Frankrijk bestaan religieuze universiteiten, doch die worden door de overheid niet gefinancierd zoals bij ons. Moet men ze ook in Nederland niet privatiseren?

Bij Spiering en Manenschijn trof ik ten slotte een misvatting aan, die ik ter afsluiting gaarne uit de weg wil ruimen. Ze menen dat het “akelig stil” zal worden aan de Nederlandse universiteiten wanneer de theologie wegens haar onwetenschappelijkheid uit het wetenschappelijk onderwijs wordt verbannen. Want op grond van het toetsbaarheidscriterium zou veel meer moeten sneuvelen: volgens Spiering alle “wetenschappen van tekst-interpretatie”; volgens Manenschijn “ook de filosofie” en in elk geval “het atheïsme van Philipse”. Spiering heeft, wellicht deels door mijn schuld, de kern van mijn betoog niet goed begrepen. Ik ben natuurlijk van mening dat theologie nooit een wetenschap is geweest, ook niet toen het nog minder 'post-modern' toeging onder theologen. Omdat theologische interpretatie van de Bijbel, in tegenstelling tot een zuiver historische interpretatie, uitgaat van de onwetenschappelijke assumptie dat er een God is, onderscheidt ze zich wezenlijk van echte interpreterende wetenschappen, die geen bovennatuurlijke veronderstellingen hebben. We behoeven daarom niet te vrezen dat de theologie interpreterende wetenschappen zoals de geschiedenis in haar val zal meesleuren.