Suikerzakjes

De Willebrordusstraat was een droevige straat; althans het eerste gedeelte, tussen de Rodenrijselaan en de Bergsingel. Schuin tegenover ons bevond zich de grauwe chocolade-en-suikerwerkfabriek van Beukers en Rijneke, die constant een bittere geur van cacaobonen verspreidde en meermalen per dag een zwaarmoedig geloei uit haar schoorsteen perste, dat in een lange, trillende zucht eindigde. Aan dezelfde kant, even voor de hoek, was de achteringang van het politiebureau, dat aan de voorzijde op de Bergsingel uitkeek en regelmatig voor afschrikwekkende taferelen zorgde. Want bijna dagelijks werden er wel een paar ongure personen in handboeien tussen twee agenten opgebracht - haveloze, dronken mannen en relschoppers met bloedende hoofdwonden, en zelfs vrouwen, met loshangende haren en gescheurde kleren, die zich hevig verzetten.

Onder hen zagen wij meer dan eens Juliana terug, een bekende straatfiguur in Rotterdam, die zwakzinnig was en schreeuwend en scheldend, en opgehitst door een stel opgeschoten jongens, met een soort voddenkar de stad afstroopte. Er werd gezegd dat zij geen dak boven haar hoofd had en geen broek droeg, en dat zij van verschillende mannen kinderen kreeg, die haar onmiddellijk na de geboorte werden afgenomen.

Behalve deze zonderlinge wezens, voor wie ik zowel angst als medelijden voelde, verscheen er ook herhaaldelijk het mannetje met de zwarte pet en het korte zwarte jak, dat sprot verkocht. Op vroege winteravonden, als we ter besparing van elektriciteit bij de petroleumlamp in de huiskamer zaten, dook zijn schaduw met de mand aan zijn arm uit mistige nevels op in het lantaarnschijnsel en verdween in het niets, terwijl zijn eentonige, ijle roep “Sprot! Echt Engels sprot!” steeds verder wegstierf.

Daar we met het oog op de heersende malaise telkens weer hadden moeten verhuizen om goedkoper te wonen, waren we tenslotte in de Willebrordusstraat terechtgekomen, in een donker, vochtig benedenhuis. Hoewel het eigenlijk te klein was voor ons drieën (mijn bed stond in een lange kast in de gang), had mijn moeder de achterkamer aan een kostganger verhuurd, want ook wij hadden onder de werkloosheid te lijden, omdat niemand meer geld had om uit te gaan en mijn vader bij de directies van bioscopen en variététheaters letterlijk om een engagement moest bedelen.

Alsof dit allemaal niet erg genoeg was, had ik niet één kind van mijn leeftijd in de buurt kunnen vinden, zodat ik me buiten in mijn eentje moest vermaken wanneer ik het in de beperkte ruimte binnen niet meer uithield. Dat veranderde toen mevrouw De Groot, de vrouw van onze huiseigenaar, die boven ons woonde - veel mooier en groter dan wij, op twee etages - mij vroeg of ik met haar dochtertje Rulie wilde komen spelen. We waren even oud, maar omdat zij maar één oog had, dat bovendien aanhoudend ontstoken was en dikwijls moest worden ingedruppeld (het andere zat helemaal dicht), ging ze op een aparte school en kon nooit op straat spelen.

Rulie had kort, blond haar, een zachte, wat vragende stem en de weerloze uitdrukking van een blinde op haar gezicht, dat ze schuin omhooghield als je tegen haar sprak. Je kon haar geen groter plezier doen dan voor te lezen uit de sprookjes van Andersen of Grimm, en zij hechtte zich zo aan mij dat het me, hoewel ik er niet goed raad mee wist, ontroerde. Ik probeerde dan ook mijn afschuw voor het dichte ooglid en de roodgezwollen, dragende randjes van het zieke oog te overwinnen en ging niet alleen op mijn vrije middagen naar haar toe, maar meestal ook na vieren uit school.

Daardoor leerde ik de aardige jongeman kennen die altijd suikerzakjes voor ons meebracht - hij bleek, net als Rulies vader, in de horeca te zitten - wanneer hij bij mevrouw De Groot op theevisite kwam. Dat deed hij tot onze vreugde wel een paar keer per week, want behalve dat we de suikerzakjes spaarden (ze waren allemaal verschillend), betekende het ook dat wij, op voorwaarde dat we hen niet stoorden, limonade en taartjes in de speelkamer kregen.

Eenmaal heb ik dit verbod overtreden, toen Rulie door een onhandige beweging de limonade over haar jurk had uitgestort en hulpeloos en huilerig met het lege glas in haar hand bleef zitten. Ontsteld door al het rood van de grenadine, holde ik in paniek naar het verboden terrein van de salon, waar Rulies moeder zich met haar theebezoek placht terug te trekken. Verder dan de drempel kwam ik echter niet, daar ik verbijsterd naar de divan bleef staren, waar mevrouw De Groot, gezeten op de schoot van de jongeman, hartstochtelijk door deze werd gekust. De knoopjes van haar blouse waren los en de gloeiende gezichten, die zich bliksemsnel naar mij toe wendden, leken verstard van schrik. Ofschoon ik de situatie niet begreep, was ik me ervan bewust dat ik iets zag dat ik niet had mogen zien, en rende verbouwereerd naar de speelkamer terug, op de voet gevolgd door de jongeman.

Hij was gelukkig niet boos en riep iets naar mevrouw De Groot, die niet in mijn richting keek toen ze binnenkwam en Rulie kalmerend toesprak. Terwijl zij met haar in de gang verdween, legde hij zijn handen op mijn schouders en begon mij vriendelijk toe te spreken. In mijn verwarring verstond ik de helft niet, en het enige dat tot mij doordrong was dat ik hem moest beloven niemand te vertellen wat ik zojuist had gezien, ook Rulie niet, en dat hij de volgende keer als beloning wel honderd suikerzakjes zou meebrengen.

Maar er kwam geen volgende keer, want Rulies oog moest plotseling worden geopereerd, en nadat ze was thuisgekomen en nog enige weken, met een angstaanjagend grote, gelige pupil op mij gericht, naar de sprookjes had geluisterd, was zij van de ene op de andere dag dood.

Er werden boven lakens voor de ramen gehangen - mijn moeder liet de jaloezieën zakken - en met mijn vader ging ik afscheid nemen van Rulie, die in de schemerige speelkamer, waar meneer De Groot ons zwijgend heen bracht, wasbleek onder het glas van een met wit satijn gevoerde kist lag, waarin kleine witte roosjes waren gestrooid.

De aardige jongeman van de suikerzakjes heb ik niet meer gezien, en als ik op straat speelde en de moed had een blik naar de etage boven ons te werpen, ontbrak er zelden de vage gestalte van mevrouw De Groot, die onbeweeglijk achter het raam naar buiten zat te staren.

    • Tonny van der Horst