PROF. DR. MAX ROOD; Lidmaatschap D66 is duidelijk een pre

Prof.dr. Max Rood kan ervaring in het oplossen van arbeidsconflicten niet worden ontzegd. De 68-jarige Rood is lid van de Advies- en Arbitragecommissie Rijksdienst, meestal kortwegcommissie- Albeda, naar haar voorzitter, genoemd.

Gewoonlijk betreft het dan de arbeidsvoorwaarden waaronder ambtenaren moeten opereren en waarover de vakbonden het met de werkgever niet eens zijn geworden. Dat probleem is bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) niet aan de orde. Daar heeft CTSV-bestuurder Van Otterloo vorige week nog een CAO-akkoord met de bonden gesloten.

In het conflict bij het CTSV staan de ondernemingsraad en de directie enerzijds en het driekoppige CTSV-bestuur anderzijds lijnrecht tegenover elkaar. Het gaat niet over geld en arbeidsvoorwaarden, maar over competenties en communicatie.

Rood, die in 1982 kortstondig minister van binnenlandse zaken was, is lid van D66. Hij is dus geen partijgenoot van de drie zittende bestuursleden, Van Leeuwen (VVD), Van Otterloo (PvdA) en Van Rooijen (CDA). Lid zijn van D66 lijkt in dit gevoelige conflict, waarin personeelsleden de bestuursleden onder meer verwijten dat zich door politieke overwegingen laten leiden, een pre. “Dat kan zijn”, zegt Rood zelf voorzichtig. “Maar ik heb van de staatssecrtetaris uitdrukkelijk niet de indruk gehad dat ik geselecteerd ben op basis van mijn politieke achtergrond.”

Rood kan inderdaad op andere antecedenten bogen die hem kwalificeren voor de rol van adviseur in dit conflict. Hij is hoogleraar arbeidsrecht, hij is Kroonlid van de Sociaal-Economische Raad (SER), zijn proefschrift in 1978 wijdde hij aan het stakingsrecht en zijn oratie als hoogleraar te Leiden in 1979 aan het medezeggenschapsrecht. Het grootste deel van zijn werkzame leven, van 1951 tot 1980, was hij advocaat en procureur in Amsterdam; ook was hij (van 1977 tot en met 1979) Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Maximaal drie weken heeft Rood zich de tijd gegeven om zijn analyses en aanbevelingen voor Linschoten gereed te hebben. “Ik hoop dat ik daaraan genoeg heb”, verzucht hijzelf. Daarvoor is een praktische noodzaak: medio maart verblijft hij voor zijn wetenschappelijke arbeid in het buitenland.

Helemaal blanco tegenover het CTSV kan Rood niet staan. De SER voelde zich destijds bij de benoeming van de drie CTSV-bestuursleden gepasseerd door staatssecretaris Linschoten. De raad weigerde te adviseren over benoemingen die al vast leken te staan en SER-voorzitter schreef daarover aan de bewindsman een boos briefje. Hij was het eigenlijk al vergeten zei Rood gisteren. “Maar ik herinner me nu dat ik me in de benadering van de voorzitter kon vinden.”