Organisatie van frustraties en vol met wantrouwen

DEN HAAG, 20 FEBR. Een organisatie vol frustraties en onderling wantrouwen. Dit is het beeld dat het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) de afgelopen maanden over zichzelf heeft afgeroepen. Een orgaan dat het drukker met zichzelf lijkt te hebben dan met de taak waarvoor het is gesteld: het controleren van de uitgaven die er met de sociale verzekeringen in Nederland zijn gemoeid, zo'n negentig miljard gulden per jaar.

Prof. M. Rood, de tijdelijk adviseur van de staatssecretaris van Sociale Zaken, R. Linschoten, die moet proberen het CTSV uit het bestuurlijke moeras te trekken, zal er een zware dobber aan hebben. Al maanden voeren de directeuren een gevecht om de competenties met het full-time opererende bestuur van het CTSV. En voorzover de directeuren dit niet doen, zitten zij gefrustreerd thuis. Thuis in de Ziektewet, een van de werknemersverzekeringen waarvan zij worden geacht de uitvoering te controleren. En als ze niet ziek thuis zitten voeren zij wel overleg met hun advocaat over hun rechtspositie bij hun werkgever - of het ontbreken daarvan.

Bestuursvoorzitter D. van Leeuwen sprak vorig jaar de ambitie uit dat het CTSV de “Algemene Rekenkamer van de sociale zekerheid” moest worden. Een gezaghebbend orgaan dus met een oordeel waaraan maar weinigen twijfelen. Maar de wens van Van Leeuwen lijkt vooralsnog utopisch zolang het CTSV vooral met zichzelf overhoop ligt.

Het CTSV is officieel opgericht op 1 januari 1995 en bleef lange tijd buiten de kring van betrokkenen een betrekkelijk onbekend instituut. Dat is in elk geval de laatste tijd aan het veranderen. Inmiddels uit de Tweede Kamer in toenemende mate haar zorg over het reilen en zeilen van dit zelfstandig bestuursorgaan.

Dezelfde Tweede Kamer heeft aan de basis gestaan van het CTSV. In 1991 nam zij vrijwel unaniem een motie aan van het toenmalige lid Buurmeijer (PvdA), waarin de uitspraak werd gedaan dat het toezicht op de sociale werknemersverzekeringen 'onafhankelijk' moest worden. Het was het jaar waarin politiek Den Haag in staat van hoge opwinding verkeerde over de WAO, waarvan de magnetische werking op zieke werknemers niet te pareren leek.

Tot dan was, al veertig jaar lang, het toezicht een taak van de Sociale Verzekeringsraad. Een belangrijk kenmerk daarvan was dat het goeddeels werd bestuurd door vertegenwoordigers van vakbonden en werkgeversorganisaties. Dezelfde sociale partners dus die ook, via de bedrijfsverenigingen, de uitvoering van de werknemersverzekeringen tot taak hadden. Zo ontstond het beeld van controleurs die zichzelf controleerden. Weliswaar bestond eenderde van de Sociale Verzekeringsraad uit 'onafhankelijke' Kroonleden, maar dat nam de indruk van ongewenste belangenverstrengeling die bij de politiek was ontstaan niet weg.

In 1992 verscheen een rapport van de Algemene Rekenkamer waarin uiterst kritisch werd geoordeeld over het functioneren van de SVR. Het was een van de redenen voor de Tweede Kamer om een parlementaire enquête te houden naar de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Deze Kamercommissie, onder leiding van de PvdA'er Buurmeijer, kwam tot de conclusie dat de SVR moest plaatsmaken voor onafhankelijk toezicht. Het oordeel van de enquête-commissie was spijkerhard: “De SVR heeft volstrekt gefaald”.

Zo ontstond het CTSV. Staatssecretaris Linschoten meende er goed aan te doen drie oud-politici als bestuurders de dagelijkse leiding te geven over het nieuwe instituut. Om te beginnen zijn partijgenote D. van Leeuwen die na een reeks van interne conflicten het partijvoorzitterschap van de VVD eraan had gegeven. Vervolgens oud-staatssecretaris M. van Rooijen, die in 1994 voor het CDA opnieuw in de Tweede Kamer had willen komen, maar niet hoog genoeg op de lijst stond. Hetzelfde gold voor de PvdA'er G.J. van Otterloo, eerdervolksgezondheidsspecialist voor de Kamerfractie van zijn partij, maar vervolgens op een onverkiesbare plaats op de kandidatenlijst beland.

Dit trio trof in 1995 een organisatie aan, waarvan het personeel vrijwel geheel afkomstig was van de Sociale Verzekeringsraad. Directeuren die tot dat moment in betrekkelijke zelfstandigheid konden opereren, zag een leiding tegenover zich die van mening was dat de term 'directeur' feitelijk misplaatst was. “Wij zijn de directie”, was samengevat de mening van voorzitter D. van Leeuwen. De directeuren, voorzover ze mochten blijven, konden hooguit 'manager' blijven van een van de onderdelen van de organisatie.

Zittende directeuren als P. Hermans en J. Sureveen voelden zich op een zijspoor gemanoevreerd. Directeur R.D. van Kooij moest helemaal opstappen. Zeer pijnlijk was het overlijden van de waarnemend algemeen directeur N. van Veen, kort na het aantreden van het bestuur. In een overzicht van de gebeurtenissen zegt de ondernemingsraad dat op 9 januari “de ernstig zieke Van Veen langdurig wordt ondervraagd door het voltallige bestuur”.

In de maanden die volgden kwam de ene interim-manager na de andere binnen, nadat het Bureau Berenschot het CTSV aan een organisatie-onderzoek had onderworpen. In september dacht het bestuur een 'goudhaantje' binnen te halen. E. Czyzewski, afkomstig van de Rotterdamse sociale dienst, zou als algemeen directeur van het toezichtbedrijf de organisatie op poten komen zetten. Binnen de kortste keren verwierf hij evenveel steun bij het personeel als hij verzet opriep bij het bestuur. Hem is vorige week door het bestuur ontslag aangezegd, nadat hij al weken prostesterend ziek thuis zat. Het personeel eist dat zijn ontslag ongedaan wordt gemaakt, maar het bestuur weigert dit pertinent. De patstelling is compleet.

    • John Kroon