Makers interviewen zichzelf

Mij lijkt niets eenvoudiger dan een aardig kunstprogramma te maken voor televisie. Je kiest kunstenaars uit die de moeite waard zijn, brengt hun werk in beeld en voorziet het met commentaar of door een interview van de nodige informatie: klaar. Gewoon het journalistieke abc in praktijk brengen, met gepaste afstand, als het onderwerp goed is, kan er weinig mis gaan.

Wekelijks bewijst Laat op de avond na een korte wandeling van de VPRO-televisie, dat ik me vergis of althans dat kunstprogramma's ook verschrikkelijk kunnen zijn. De makers denken van hun bijdragen zelf kunst te moeten maken, ze komen weken na de opening van zijn tentoonstelling nog eens met Matthew Barney aanzetten, ze laten warhoofd Chris Dercon een uurlang verkondigen dat de film dood is behalve in het museum en met name in zijn museum, Boymans Van Beuningen, ze maken kortom van heldere bouillon nog erwtensoep.

Het zij zo, het is niet anders, laat ze, maar gisteravond geloofde ik toch weer mijn ogen niet. Het ging over Nederlands design en vooral over de wonderen van de vaderlandse grafische vormgeving. Die zijn bekend, de geschiedenis ervan is zelfs al in de glossy's van KLM uitvoerig belicht. Ik wil het niettemin wel zien, het werk is inderdaad mooi. Minder fraai was evenwel het uitgebreide interview met vormgever Rob Schröder, lid van het bureau Wild Plakken en ... redactielid van Laat op de avond.

Even daarvoor had een Amerikaanse mevrouw de zegeningen van het Dutch design bezongen en Wild Plakken tot kampioen uitgeroepen. Queens We are the champions weerklonk, waarna Schröder, zelf van Wild Plakken dus en redactielid, uitgebreid zijn naaste collega Max Kisman, óok van Wild Plakken, begon te loven en te prijzen.

Het is postmodernisme ten top, de makers interviewen zichzelf, hebben het over henzelf, bevelen hun eigen werk aan. Als ik van klikken hield, zou ik zeggen dat het Commissariaat van de Media hier maar eens naar kijken moest. Laat op de avond hoeven we niet meer serieus te nemen.