Kip of ei in Europa

Wat komt er eerst: de kip of het ei? Die vraag geldt ook een van de doelstellingen van het Verdrag van Maastricht: de totstandkoming van een gemeenschappelijk Europees buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). De intergouvernementele conferentie die eind maart in Turijn van start zal gaan, zal hierover beslissingen moeten nemen.

Wat komt er, bij de totstandkoming van een GBVB, eerst: vaststelling van het doel van dat beleid (wat is het gemeenschappelijk belang van Europa? welke plaats wil het in de wereld innemen?) of de constructie van de instellingen die dit beleid moeten uitvoeren?

Logisch gesproken, is voorrang geven aan het laatste onzin. Instellingen immers maken op zichzelf geen beleid, zeker geen beleid dat in de ogen van de bevolking - en Europa heeft een zeer verscheiden, zo niet verdeelde, bevolking - legitiem is. Dit is het spannen van het paard achter de wagen. Maar uit de praktijk weten we dat we, wanneer we met het concipiëren van het beleid beginnen, het nooit eens zullen worden.

Zou het kunnen zijn dat, wanneer we beginnen met de instellingen, deze de deelnemers zullen dwingen tot een bepaald beleid - een beleid dat op het ogenblik van de totstandkoming van die instellingen nog helemaal niet vaststaat? Edward Mortimer, een scherpzinnig columnist in de Financial Times, meent dat. In het nummer van 14 februari schreef hij: “Het is in de mode te zeggen dat buitenlands beleid niet een kwestie van instellingen is, maar van politieke wil en nationale cultuur. Maar een cultuur wordt vormgegeven door instellingen, en politieke wil heeft instellingen nodig om zich te uiten.

“Europeanen zullen geen wil tot collectieve actie ontwikkelen zolang ze weten dat er geen mechanismen zijn die hen in staat stellen tot zo'n actie. We hebben dus eerst de wil om zulke mechanismen te scheppen nodig. Daar gaat, althans dat is de bedoeling, de intergouvernementele conferentie over die volgende maand begint.”

Het is waar dat cultuur wordt vormgegeven (wat niet hetzelfde is als ontstaan!) door instellingen. Dat pleit dus voor voorrang aan de instellingen, maar dan zegt Mortimer plotseling dat er eerst de wil moet zijn zulke instellingen in het leven te roepen, en daarmee is hij terug bij het uitgangspunt. Immers, de wil wordt weer grotendeels bepaald door de (nationale) cultuur.

We komen er niet uit, maar belangrijker is de vraag of Europa eruit komt. Het falen van Europa in Bosnië en zijn afwezigheid bij het Grieks-Turkse geschil - in beide gevallen, om niet te spreken van het Midden-Oosten en andere brandhaarden, laat het het initiatief aan Amerika over - maken deze vraag bijzonder actueel.

Maar willen Europese initiatieven in de wereld kans op succes hebben, dan is er niet slechts een gemeenschappelijk buitenlands beleid nodig, maar ook een buitenlands beleid dat de middelen heeft om zijn wil aan anderen op te leggen. Het 'civiele Europa' is iets waarvan alleen maar burgers dromen die in vrij machteloze staten zijn opgegroeid.

Waarom hebben de Verenigde Staten betrekkelijk succes met hun initiatieven? Zij hebben tot dusver het vermogen en de bereidheid getoond potentiële macht - die Europa ook heeft - om te zetten in werkelijke macht: troepen en wapens, en die macht overal in de wereld in te zetten. Of zoals Mortimer het - bot, maar daarom niet minder overeenkomstig de waarheid - zegt:

“Als de Serviërs rekening houden met de Verenigde Staten, dan is dat omdat zij weten dat de Verenigde Staten bereid zijn hen te bombarderen. Als Tudjman rekening met hen houdt, is dat omdat de Verenigde Staten zijn leger hebben helpen opleiden en uitrusten. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de Grieken, Turken, Arabieren, Israeliërs, zelfs Chinezen.”

Voordat Europa over dat vermogen en die bereidheid beschikt, zal het nog lang duren. In potentie heeft het de macht ertoe. Het komt er slechts - slechts! - op aan, die potentiële macht om te zetten in militaire macht en in bereidheid daar, zo nodig, gebruik van te maken - al was het alleen maar door ermee te dreigen.

Die omzetting is een kwestie van wil en van nationale cultuur, maar deze hebben instellingen nodig, niet alleen teneinde zich te kunnen uiten, maar ook teneinde zich te kunnen ontwikkelen tot een gemeenschappelijke wil en cultuur. Het denken over die instellingen is dus ook belangrijk.

Maar dat denken kan niet in een luchtledig geschieden, een reservaat voor ingewijden en technocraten blijven. Het resultaat van zo'n Reinkultur zou nooit legitimiteit verwerven en wel eens verworpen kunnen worden door de burgers - zoals de Deense en Franse burgers dat bijna gedaan hebben met het Verdrag van Maastricht.

Het is daarom dat in Brussel, onder leiding van de Belgische oud-premier Leo Tindemans, een Europese werkgroep bijeen is geweest om vijf verschillende scenario's voor het Europa van de toekomst uit te werken - keuzes die variëren van wijzigingen in de bestaande toestand tot een Verenigde Staten van Europa - teneinde die aan de burger voor te leggen.

Zelf spreekt de werkgroep zich niet uit voor deze of gene optie. Daarvoor was ze op zichzelf al te gevarieerd. Ze had 47 leden, uit alle landen van de Europese Unie, met een proportioneel grote deelneming van Nederlanders (zes, tegenover bijvoorbeeld, vijf uit Duitsland en twee uit Frankrijk). Maar dat was niet de reden dat zij zelf geen keuze maakte. Die wilde ze aan de burgers overlaten.

Europe: your choice heet het boekje dan ook dat uit haar beraad is voortgesproten en waarvan de redacteur de Nederlander S. van Tuyll van Serooskerken, secretaris van de werkgroep, is. Het is bij The Harvill Press in Londen te krijgen voor 5 pond. Het zal zeker voor de geïnteresseerde burger de keuze voor het Europa van zijn voorkeur gemakkelijker maken - al zal die keuze per slot van rekening grotendeels door de nationale cultuur waarin hij is opgegroeid, bepaald worden.