Het Instituut van Onbenul

AMSTERDAM. Wie zijn er wel, en wie zijn er niet? Bij sommige bijeenkomsten is de laatste vraag aanmerkelijk interessanter dan de eerste.

Wie afgelopen donderdagavond tijdens de lezing van de econoom John Kenneth Galbraith de blik rond liet dwalen in de Oude Lutherse Kerk zag veel wat het overdenken waard was. Er was een sympathieke reus die op zijn zevenentachtigste nog in alle opzichten de show stal. Er was een halve zaal vol idolate fans, plus een groot aantal economen van naam, bankiers, journalisten. Maar er waren ook veel gasten níet. Er was bijvoorbeeld nauwelijks een politicus te bekennen - op twee alerte Amsterdamse raadsleden na. Het kader van de PvdA, de partij die ooit zo beïnvloed was door Galbraiths gedachten dat de vroegere partijleider door critici ook wel 'Uylbraith' werd genoemd, schitterde door afwezigheid. Waren al die PvdA-Kamerleden, al die ministers, die Melkerts, die Koks, die Wallage's niet geïnteresseerd in de huidige opvattingen van de schrijver van The Affluent Society, The New Industrial State en The Culture of Contentment? Hadden ze niets meer te vragen aan een van de meest invloedrijke economische denkers van deze tijd? Of hadden ze het gewoon te druk met overleggen, met één-tweetjes, met aansturen en met bijstellen, en lieten ze de wereld van de ideëen over aan de fractieleider van de liberalen? Want die zat er natuurlijk wel, geïnteresseerd als altijd, en zijn aanwezigheid maakte de afwezigheid van al die anderen des te ontluisterender.

Het was een bijeenkomst waar het niet ging om scoren maar om denken, en veel politici komen zelden meer op dat soort plekken. Hun lege stoelen hebben alles te maken met de groei van de nomenklatoera. De nomenklatoera is de nieuwe elite aan het Nederlandse politieke firmament. Het is een groeiende groep mensen die op de een of andere manier aan de zwaartekracht van het normale bestaan weten te ontsnappen. En voor leden van de nomenklatoera gelden andere prioriteiten dan voor normale bestuurders.

Het systeem van de Nederlandse nomenklatoera verschilt in wezen niet van dat van de voormalige communistische landen. Ook hier gaat het om een half politieke, half bestuurlijke inner circle, met een paar nimmer uitgesproken, maar niet minder belangrijke privileges. En de belangrijkste daarvan is het eeuwige recht op een leidende functie, ook al heeft de betrokkene geen enkele speciale vaardigheid, en zelfs al heeft hij in het verleden al een spoor van wanbeleid achter zich gelaten. Voor een kolchozevoorzitter in de voormalige Sovjet-Unie was de enige zorg om op papier de plannen te vervullen en niet bij het rayon of de provincie in ongenade te vervallen. En ook de leden van onze nomenklatoera zijn niet bezig met het verwerkelijken van ideëen en visies, maar met posities. Vandaar dat mensen als Galbraith hen al jaren geen barst meer interesseren.

Het systeem van de nomenklatoera heeft alleen voordeel voor de direct betrokkenen. Voor de rest van het land brengt het op termijn onvermijdelijk stagnatie met zich mee, om maar niet te spreken van allerlei bestuurlijke ontsporingen.

Een duidelijk geval van drie uit de hand gelopen kolchozevoorzitters deed zich eind vorige week voor, toen een sluimerend conflict bij het College van Toezicht Sociale Verzekeringen in alle hevigheid naar buiten barstte. Vanuit het politieke circuit waren daar onlangs drie nieuwe bestuursleden benoemd, voorzien van vorstelijke salarissen, auto's en andere voorrechten. In amper een jaar tijd wisten ze echter de hele organisatie tot in de hoogste gordijnen te jagen en de leiding vrijwel lam te leggen. Het wie, wat, waar en waarom moet de nu benoemde bemiddelaar maar uitzoeken, maar wat er op tafel ligt is hoe dan ook een geval van bestuurlijk falen. Vorstelijke salarissen worden immers betaald omdat van bestuurders op dit niveau een aantal zeldzame capaciteiten verwacht wordt, juist om een dergelijke puinhoop te voorkomen.

Bij alle drie de bestuursleden was echter sprake van typische nomenklatoera-benoemingen. De ene functionaris moest een nieuwe baan hebben omdat zijn partij bij de verkiezing minder Kamerzetels had gekregen dan verwacht, de andere was door zijn partij niet meer herkiesbaar gesteld omdat hij niet vernieuwend genoeg was, en voor de derde apparatsjik moest onderdak gezocht worden omdat ze was gewipt na een niet bepaald vlekkeloos verlopen partijvoorzitterschap. Maar niemand is in dat bestuur terechtgekomen vanwege duidelijk gebleken kwaliteiten.

De parallellen met het nomenklatoera-systeem in de voormalige Sovjet-Unie gaan echter verder. De studie van Marius Broekmeyer over het dagelijks leven op het Sovjet-platteland, Het verdriet van Rusland, is niet alleen voer voor Ruslandkenners maar ook voor Nederlandse bestuurskundigen. Wie herkent niet in de 'gevolmachtigde' - de oud-politicus, rechter, apotheker, journalist, die naar het dorp gestuurd werd om de boeren de meest onzinnige dingen te laten doen -, wie herkent niet in hem sommige interimmanagers die alleen verstand hebben van boekhouden en bezuinigen, en die geen enkele ervaring hebben op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg of waar zo'n organisatie zich maar mee bezighoudt? En wie herkent niet in de strakke rayonplanning van de Sovjet-landbouw - die alleen maar gericht was op papieren resultaten, en zelden rekening hield met weersomstandigheden, grondsoort en andere natuurlijke factoren - de manier waarop het Haagse ministerie van Onderwijs nu al jarenlang de scholen gek maakt met telkens nieuwe theorieën, plannen, schema's, fusies? “Het zaaiplan niet vervullen, dat is erg, dat accepteert het rayon niet, maar als de oogst mislukt, dat doet er niet toe, want dan kun je zeggen: ik heb alles gedaan wat u mij bevolen hebt.”

In de lezing die de meeste Nederlandse politici nooit gehoord hebben benadrukte John Kenneth Galbraith de onderschatte rol van menselijke onbekwaamheid in de loop van de geschiedenis, of beter gezegd, de menselijke stomheid. “Wij zoeken vaak allerlei oorzaken bij instellingen en instituties, en te vaak slaan we één belangrijk motief over: dwaasheid”, aldus Galbraith. Zo is het ook met de nomenklatoera, alleen is dat verschijnsel ernstiger. Hier wordt de domheid immers niet alleen getolereerd maar zelfs beschermd, en het onbenul verheven tot een onzichtbaar instituut.