Deep Blue

DE MENS HEEFT het toch van de machine gewonnen. De wereldkampioen schaken versloeg in Philadelphia drie keer de computer, hij speelde twee keer remise en verloor slechts één keer. Van dit resultaat gaat een geruststellende werking uit: de machine is knap, maar de mens is toch nog slimmer. De machine kan een miljard stellingen per seconde analyseren, de mens heeft dat niet nodig. De mens onderscheidt de veelbelovende strategie bliksemsnel van de vruchteloze en terwijl de machine nog aan het rekenen is, herkent de mens een winnende opstelling in een oogopslag.

Zo won Kasparov van Deep Blue, en op dat succes is de mensheid trots. Opnieuw is bewezen dat honderden superchips het moeten afleggen tegen één goed doorbloede cortex. Toch won Kasparov niet met de verpletterende cijfers die velen hem hadden toegewenst; hij moest zelfs een keer in de computer zijn meerdere erkennen. Na afloop sprak Kasparov dus van een 'serieuze tegenstander'. Het was 'zo moeilijk als het wereldkampioenschap', zei hij.

DAT GEEFT te denken. Lange tijd hebben de topschakers hun getransistoriseerde tegenstanders niet serieus genomen, maar de brute rekenkracht van de computers neemt toe en het moment waarop de menselijke hersens er niet meer tegenop kunnen is niet ver meer. Daarom geeft de 4-2 zege van Kasparov ook aanleiding tot een ander gevoel: een zekere onbehaaglijkheid. Als een van de best getrainde denkers van onze beschaving nog maar net van een computer kan winnen, wat kan de gewone burger dan verwachten? Heeft hij nog een kans in een wereld die steeds meer door elektronische intelligentie wordt beheerst?

Zo is de confrontatie tussen de wereldkampioen en de computer ook een symbool van de strijd van de mens tegen een steeds slimmer wordende omgeving, een strijd waarin de mens nog wel wint, maar waarin de kansen keren.

Hoe verleidelijk dat beeld ook is, het is een misleidende voorstelling van zaken. De computer is geen buitenaards wezen, maar een door mensen bedacht apparaat, dat trouwhartig de routineklussen uitvoert die hem zijn opgedragen. De moderne wereld strijdt niet tegen computers, zij profiteert ervan. Computers zijn de kleine helpers van de mensheid geworden. Zonder computers geen banktransacties, geen lijnvluchten, geen auto's, geen boeken, geen kranten. Computers zitten in televisietoestellen, in ovens, camera's en in tal van andere gewone apparaten. Dat is de stand van zaken, en dat is de toestand waarbij de mensheid zich heel wel voelt.

DE STRIJD VAN Kasparov tegen Deep Blue was interessant omdat de mens nog won. De volgende keer, als de computer zegeviert, zullen de mensen zijn superioriteit accepteren - precies zoals we nu al akkoord gaan met de chips in de telefoon en met de computer in de verwarmingsketel. We zullen ons realiseren dat wij ze bedacht hebben en dat ze luisteren naar onze commando's.