De toezichthouders

WIE CONTROLEERT wie nu eigenlijk? Dat is de prangende vraag bij de crisis rond het College van toezicht sociale verzekeringen. Nog geen jaar na de oprichting heeft dit instituut, bedoeld om de uitvoering van de sociale-zekerheidsregelingen in de gaten te houden, vooral negatieve aandacht op zichzelf weten te vestigen. Strijd om de competentie lijkt in het conflict een centrale rol te spelen. De directie verwijt het bestuur te veel bemoeienis met directionele aangelegenheden en een te weinig afstandelijke houding. Het bestuur daarentegen rekent een rechtstreekse lijn met de dagelijkse gang van zaken wel degelijk tot zijn taak. Op het eerste gezicht is het een authentieke 'kantoorruzie' met de eigen stoel als hoogste inzet.

De vorming van het College van toezicht sociale verzekeringen is een direct gevolg van de gewijzigde opstelling van de Tweede Kamer ten aanzien van de uitvoering van de sociale verzekeringen. In 1991 sprak de Kamer zich uit voor een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale zekerheid. De niet te stuiten stijging van het aantal WAO-uitkeringen was voor de politiek aanleiding uitvoering van de sociale-zekerheidsregelingen en controle daarop te scheiden. De parlementaire enquête sociale zekerheid bevestigde dit standpunt.

In die enquête werd een hard oordeel uitgesproken over de door vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties bestuurde bedrijfsverenigingen. Met het nodige enthousiasme besloot het parlement dan ook de door sociale partners gedomineerde Sociale Verzekeringsraad op te heffen en de controlefunctie te laten overnemen door het onafhankelijke College van toezicht. Maar inplaats van gezag te verwerven heeft dit per 1 januari vorig jaar opgerichte college slechts naam gemaakt als een ruziënd gezelschap. ALS HET OM DE bevoegdheden gaat heeft het bestuur van het College van toezicht de wet aan zijn zijde. Bewust is gekozen voor een bestuur dat “sturend toezicht” houdt. Maar een bestuur met nagenoeg 'directionele' bevoegdheden vraagt competente leden. Na alle verwikkelingen zijn hier de nodige vraagtekens te zetten. Het begrip 'onafhankelijke' leden waarover in de wet wordt gesproken, houdt in dat de leden niet uit de organisaties van werkgevers en werknemers mogen voortkomen. Maar dit betekent nog niet dat de bestuursleden bijna rechtstreeks uit de politiek moeten worden gerecruteerd. Bij het driemanschap dat nu het bestuur vormt, valt de over de hoofdstromingen verdeelde partijpolitieke afkomst op.

De vragen in de Tweede Kamer over de roerselen bij het College zijn gesteld door D66, de enige grote partij die geen bestuurder heeft geleverd. Dat de door staatssecretaris Linschoten nu aangestelde adviseur M. Rood ook uit D66 afkomstig is, zal geen toeval zijn. NAAR AANLEIDING VAN de parlementaire enquête sociale zekerheid is terecht veel gesproken over het primaat van de politiek versus de belangenorganisaties van werkgevers en werknemers. Bij de vormgeving van de controle op de uitvoering is het begrip politiek primaat te letterlijk genomen. Nu zitten er bij het College van toezicht politici met bestuurlijke affiniteit. Nodig zijn bestuurders met politieke affiniteit.

Rood zal binnen twee tot drie weken voorstellen doen om uit de impasse te komen. Maar aangezien de onrust op het hoofdkantoor van Zoetermeer al veel langer gaande is, had Linschoten eerder in actie moeten komen.