Als de ontknoping van een thriller

De verdachte zegt het steeds weer. Er is een groot, intiem geheim in zijn leven dat hij met niemand in de zaal wil delen. Alleen de drie rechters en de officier van justitie mogen het horen.

Dan eerst maar een behandeling van de feiten, zegt de voorzittende rechter van de Arnhemse rechtbank, mevrouw mr. A. Dik.

Ed Ponders wordt verdacht van moord op zijn stiefvader, Leen Weijzen. Het lijk van Weijzen werd op 6 februari 1995 in een bos in Duitsland, dichtbij de Nederlandse grens, gevonden. Vijf schotwonden, één dodelijk in het hoofd. Het zou maanden van intensief speurwerk kosten, voordat kwam vast te staan dat Ponders de dader was. Hij bekende pas in zijn achttiende verhoor.

Ponders is een 27-jarige bouwvakker, woonachtig in Nijmegen, maar met zijn stiefbroer Henk werkzaam in Duitsland. Daar opperden de twee broers wel eens de mogelijkheid om hun vader uit de weg te ruimen. Vader Leen werd door hen ervaren als een onmogelijke bullebak die hen nooit met rust liet.

Was er méér?

Zeker, knikt Ed, maar mogen dan de deuren dicht?

Maar de rechter stort zich weer op de feiten. Het geheim van Ed wordt naar achteren geschoven, als de ontknoping van een beklemmende thriller.

Op zondag 5 februari, als moeder Dora naar een bingo-avondje is, bezoekt Ed zijn ouderlijk huis. Er volgt weer eens een onaangenaam gesprek met Leen. Weijzen was zelf een hardwerkende, succesvolle handelaar en hij verweet zijn twee zoons gebrek aan werklust.

“Is toen ook over uw persoonlijke kwestie gesproken?” vraagt de rechter.

“Ik zat op mijn knieën en hij spuugde me onder.”

“Wilde u met hem dingen uit het verleden uitpraten?”

“Ja.”

“En zijn reactie was vernederend?”

“Zacht gezegd.”

“U raakte buiten uzelf?”

Ed knikt, en dan zegt hij iets zéér ontnuchterends, iets wat de dramatische kern van deze rechtszitting voor even ernstig ondermijnt: “Er trad een depersonalisatieproces op, u kunt dat in het rapport van het Pieter Baan Centrum lezen.”

Soms zou je willen dat verdachten pas ná hun proces met het psychologenjargon in aanraking kwamen. Ed kan er niet genoeg van krijgen. “Toen ik op mijn knieën zat, brak er iets in mij. Ik splitste me in twee delen. Terwijl Leen naar de wc ging, liep het ene deel naar de keuken en wachtte op Leen. De deur ging open, het deel deed zijn ogen dicht, het hoorde schoten, en toen lag Leen op de grond.”

Het andere deel van Ed ging daarna behoorlijk voortvarend te werk. Eerst belde Ed zijn vriendin Clara die onmiddellijk kwam. Ed stopte het lijk in een slaapzakhoes die zijn moeder kort tevoren op zijn verzoek had gekocht. Samen met Clara bracht hij de hoes naar zijn auto die hij achter het huis had geparkeerd.

Die parkeerplaats, het thuis laden van het pistool, het meenemen van plastic handschoenen - het zijn allemaal handelingen die wijzen op een gedegen voorbereiding. De rechter zegt het netjes: “Bij menigeen zal het de indruk wekken dat u wilde voorkomen dat de verdenking op u kwam te rusten.”

“Dat kan ik me voorstellen”, zegt Ed.

Hij houdt vol dat hij aanvankelijk niet de bedoeling had zijn vader te vermoorden. Hij had altijd wel plannen gemaakt, maar dat was fantasie geweest, een middel om de werkelijkheid te ontvluchten. Het wapen en de hoes hadden ook bij die fantasieën gehoord. Pas nadat hij die avond opnieuw vernederd was, had hij in een roes zijn vader vermoord.

Vaag blijft de rol van Eds moeder en zijn vriendin. Waren zij bij de voorbereidingen betrokken? Zeker is dat zij gedrieën in twee auto's naar Duitsland zijn gereden om daar het lijk te dumpen. “Er lopen nog onderzoeken”, zegt de officier van justitie, mr. A. van Velzen, “maar de verdachten mogen niet uit de krant vernemen of ze wel of niet vervolgd worden.”

Ed beweert dat hij op de fatale dag met het plan had rondgelopen Nederland voorgoed te verlaten. Alleen maar om aan zijn vader te ontkomen. “Maar ik dacht: er moet toch een andere oplossing zijn?”

De positie van zijn jongere stiefbroer Henk komt ter sprake. “Hij ontkent het, maar volgens mij is hem hetzelfde overkomen als mij”, zegt Ed. “Ook Henk zit in grote psychische problemen.”

“Wat is het dan?” vraagt de officier.

“Dat zeg ik alleen achter gesloten deuren.”

Ed ging al op 17-jarige leeftijd het huis uit. Toch bleef hij veel komen. “Ik wilde bij mijn moeder blijven. Zij werd mishandeld. En mijn vader oefende op mij geestelijke dwang uit. Hij zou bepaalde zaken gaan onthullen.”

De rechters wijzen het verzoek af om de deuren te sluiten. Ze vinden de inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum daarvoor te belangrijk.

Volgens de rapporteurs is Ed een chronisch getraumatiseerd man met een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Zij zien het delict als een gevolg van de voorgeschiedenis. Ed heeft zijn biologische vader nooit gekend. Toen hij twee jaar was, hertrouwde zijn moeder met Leen Weijzen, een drankzuchtig man. Hij zou Ed tot zijn twaalfde jaar hebben mishandeld en seksueel misbruikt. Toen Ed volwassen was, bleef Weijzen hem met het incestverleden confronteren, alsof hij, Ed, daarvan de schuldige was.

Ed stortte zich in de drank en de drugs, een relatie met een vriendin mislukte. In november 1994 leerde hij Clara kennen. “Toen sloeg de verwarring pas goed toe. Er kwamen gevoelens boven die ik niet gekend had. Ik had me nooit eerder durven uiten. Intussen dreigde mijn vader dingen openbaar te maken waardoor mijn vriendin mij zou verlaten.”

“Daarmee zou hij toch ook zichzelf aangeven?” vraagt de officier.

“Hij zei dan: ze geloven je toch niet.”

De officier zegt dat hij zich 'schoorvoetend' neerlegt bij de kern van de rapportage. “Gaandeweg heb ik gekozen voor het geven van het voordeel van de twijfel aan de verdachte. Welk voordeel? Dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is. Maar ik ben blijven zoeken naar andere motieven. Het slachtoffer lijkt nu de dader, maar ik moet erop wijzen dat hij geen weerwoord kan geven. Doorslaggevend was voor mij de stelling van de psycholoog dat seksueel misbruik in sterke mate waarschijnlijk is.”

Niettemin eist hij een onvoorwaardelijke celstraf van negen jaar. “Ik geloof niet in het roesverhaal. Het was wèl moord.”

De advocaat, mr. F. Huijbers, vraagt om ontslag van rechtsvervolging. “Mijn cliënt zat in een situatie van psychische overmacht. Hij kon fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar houden.”

(Het vonnis, twee weken later: conform de eis.) De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams