Torch Song Trilogy biedt getut en mokerslagen

Voorstelling: Torch Song Trilogy van Harvey Fierstein door Joop van den Ende Produkties. Vertaling/bewerking: G. Roord, Guus Vleugel, Ton Vorstenbosch. Regie: Eddy Habbema. Decor: Paul Gallis. Spel: Pleuni Touw, Paul de Leeuw, Hugo Haenen, Thomas de Bres, Gerrie van der Klei. Gezien: 17/2, Stadsschouwburg Amsterdam. Nog te zien: door het hele land t/m juni.

Hoezeer Harvey Fierstein, schrijver van de Broadway-hit Torch Song Trilogy (1981), er ook over klaagt dat men zijn stuk politieke bedoelingen toedicht die hij in elk geval niet heeft gehad - men blijft die er in zien. De jammerklacht heeft dan ook iets kokets, want juist de socio-politieke portée van het stuk maakt het succes ervan uit. Op zijn hurken en met gebruikmaking van alle denkbare clichés en vooroordelen (iedere nicht is eigenlijk een travestiet, dat is bekend) brengt Fierstein het wel en wee van een homoseksueel op de planken. Zijn held, tegennatuurlijk als hij zijn mag, hongert naar liefde en zelfs naar een kind en verschilt dus in vrijwel niets van de gemiddelde mens. Hij is een excentriek met wie men zich gemakkelijk identificeren kan: een ideale combinatie van eigenschappen voor het grote publiek dat zich ook weleens ruimdenkend wil wanen.

Intussen is het stuk wel van een moeilijk verteerbaar en achterhaald simplisme. Niet alleen daarom is het typisch Amerikaans, het gaat ook uit van een tegenstelling die in ons land gelukkig wat minder aan de orde is. Minder dan in Amerika maakt men hier een levensovertuiging van zijn seksuele geaardheid, men wil het juist als iets vanzelfsprekends zien. De Nederlandse homoseksueel steekt het niet onder stoelen of banken maar schreeuwt het ook niet van de daken, terwijl zijn Amerikaanse lotgenoot gedoemd lijkt tot hetzij het eerste, hetzij het tweede, kenmerkende reacties in een repressieve samenleving.

Het klinkt ondankbaar, maar de goedgebekte strijder tegen onrecht en voorvechter voor begrip die Fierstein van zijn hoofdpersonage gemaakt heeft, is in onze ogen vooral een ongeëmancipeerde tutnicht. Een kindje wil-ie en trouwen, hij wappert met zijn handen, doet fataal met zijn oogopslag en rent gedurig heen en weer om koffie te zetten. In gebloemde duster uiteraard, met toffels aan zijn voeten.

Nou ja, precies dat is wat regisseur Eddy Habbema en hoofdrolspeler Paul de Leeuw er in de Nederlandse versie van maken: een door Sonja Barend goedgekeurde homoseksueel. Weliswaar onbegrijpelijk anders, maar een goed mens. Nadat je de pogingen te begrijpen wat het probleem nu eigenlijk is opgegeven hebt, verveel je je gek. Een ex die bi is maar toch homo, een minnaar die vermoord wordt door potenrammers, een moeder die het 'er' moeilijk mee heeft - die hele baaierd aan getut en mokerslagen laat je koud en het tergende tempo van de voorstelling doet de rest.

Voor elk van de drie episodes van het drama heeft de onvolprezen Paul Gallis een decor ontworpen en ze zijn alledrie even suf en duf. Het gebrek aan kwaliteit is kennelijk besmettelijk. Het spel is slecht tot beroerd, met een hopeloos schutterige Antonie Kamerling (minnaar Alan) als kampioen. De Leeuw, middelpunt en hoofdattractie, is veel cabaretier en weinig acteur en daarom misschien wel geknipt voor zijn rol, die immers weinig meer is dan een reeks sketches rondom een kappersmie met een grote mond en een hartje van goud. Showy had het al met al kunnen zijn, maar dat is deze voorstelling ook niet. Habbema doet Hamlet, met Assepoes in de hoofdrol.

    • Pieter Kottman