'Pasta met boter, rietsuiker en kaneel'

Zo'n twee uur voor een wedstrijd moet ik altijd een pasta-maaltijd eten. Pasta met boter, rietsuiker en kaneel. Als we thuisspelen doe ik dat thuis, voor een uitwedstrijd stop ik het in een Tupperware-bakkie zodat ik het in de auto tot me kan nemen. Soms eet ik het dan met een lepel, maar soms ook met m'n handen. Dan is het net haringhappen en wil het weleens een rommel worden. De jongens met wie ik meerij vinden het verschrikkelijk, vooral door de lucht. 'Die bende stinkt het bakkie uit', hoor ik altijd. Het ruikt ook niet lekker, moet ik toegeven. Maar smaken doet het prima.

Ik ben er een jaar of drie geleden mee begonnen omdat ik me altijd nogal loom voelde voor een wedstrijd. Iemand raadde me toen aan om een paar uur voor het sporten pasta te eten. Vanwege de koolhydraten, hè. Maar ja, er kon geen groentensaussie overheen omdat groenten niet snel genoeg verteren. Vandaar dat eigen sausje.

Sinds ik pasta eet voor een wedstrijd voel ik me niet meer loom. Speel ik zelfs als een tiet. Soms is het echter onmogelijk om die hap te eten voor een wedstrijd, zoals afgelopen zomer bij de Universiade in Japan. Nog voordat ik loom kon worden, kwamen toen al de twijfels. Want het gaat inmiddels om meer dan die koolhydraten, hè. Het is bijgeloof geworden.

Net als bijvoorbeeld effe poepen na de wedstrijdbespreking. Veel jongens doen dat trouwens. Deels vanwege die paar minuten afzondering denk ik. Waterpolo is een teamsport, maar iedereen heeft ook altijd even een paar minuutjes voor zichzelf nodig. Dat kan dan eigenlijk alleen op de wc. Ook als ik niet moet, ga ik toch even zitten. Maar meestal moet ik wel. Die pasta, hè.