Offensief tegen voorkennis; Worsteling met beursfraude duurt inmiddels zeven jaar

AMSTERDAM, 19 FEBR. Uithuilen en opnieuw beginnen. Dat is de teneur van de inspanningen die de overheid, de Amsterdamse effectenbeurs en de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), de waakhond van de financiële markten, de afgelopen weken en maanden hebben aangekondigd om beurshandel met voorkennis effectiever te bestrijden.

Afgelopen vrijdag hebben de drie betrokken ministers in een notitie aan de Tweede Kamer duidelijk gemaakt dat er volgende maand een voorstel voor een wetswijziging komt en dat de mankracht van de opsporingsafdeling financiële criminaliteit van de Economische Controledienst wordt uitgebreid.

De worsteling met beursfraude, een typisch voorbeeld van moeilijk te bestrijden witte-boordencriminaliteit, duurt inmiddels zeven jaar, waarin justitie nauwelijks enige voortgang heeft geboekt. Drie spectaculaire affaires zijn in behandeling genomen. Een leidde tot vrijspraak, een heeft helemaal niet tot vervolging geleid omdat justitie het bewijs uiteindelijk onvoldoende vond en de derde zaak moet nog een keer voorkomen, nadat de Hoge Raad een eerdere veroordeling ongedaan had gemaakt. Ook hier lijkt vrijspraak de voor de hand liggende uitspraak.

Zonder een veroordeling op zak - en met schadeclaims van de gedupeerden in de eerder genoemde zaken in het vooruitzicht - gaat de overheid nu eindelijk maatregelen nemen. Vorig jaar had de STE al aangekondigd dat de onderzoeks- en opsporingsfase wordt gestroomlijnd. De STE had toen tevens om versterking van de Controledienst gevraagd. Na de zoveelste wisseling van de gespecialiseerde beursfraude-officier bij het openbaar ministerie is ook daar licht aan het eind van de tunnel: om de slagkracht en de continuïteit van de expertise te verzekeren worden twee officieren belast met voorkennis-zaken.

En als klap op de vuurpijl lanceerde de Amsterdamse beurs drie weken geleden nieuwe voorstellen voor haar interne regels die misbruik van koersgevoelige informatie moeten voorkomen. Hoe de beurs de strafmaat wil toepassen zonder richtinggevende uitspraken van de rechters, is vooralsnog onduidelijk.

Beursfraude geeft financiële markten een slechte reputatie. Partijen die geheime informatie hebben die de andere spelers in de markt missen, verrijken zich ten koste van de rest. Omdat de financiële markten steeds belangrijker zijn geworden voor overheden (privatiseringen), bedrijven (bron voor nieuw kapitaal) en particulieren (sparen voor oude-dagsvoorziening) is alert financieel politiewerk en adequate vervolging en bestraffing een overheidstaak bij uitstek.

Hoe groot de beursfraude in Nederland is, valt met geen mogelijkheid te zeggen. De afgelopen jaren zijn enkele tientallen dossiers aan justitie doorgegeven voor verdere bestudering. Bij de vervolging concentreerde justitie zich echter niet op de typische zaken (insider koopt aandelen in bedrijf waarvan hij weet dat het zal worden overgenomen en incasseert de winst direct bij het publiek maken van de deal), maar op de meer buitennissige gevallen.

Beursfraude is allerminst een exclusief Nederlandse misstand. Vorige week steeg in Londen de beurskoers van een overnamekandidaat, het conglomeraat BET, plotseling met sprongen en wist men op de financiële markten al te vertellen dat er een bod zou komen van Rentokil. Vervolgens werd Rentokil door het beursbestuur gedwongen vervroegd met zijn plannen naar buiten te komen. Deze gang van zaken bij overnames komt in de City wel vaker voor. De autoriteiten stellen een onderzoek in, heet het vervolgens officieel.

In Amerika zijn in de 'wilde jaren tachtig', toen overnames - net als nu - aan de orde van de dag waren, verschillende grote beursfraudezaken met succes vervolgd. In enkele daarvan werkte justitie met insiders in de effectenwereld die gesnapt waren en in ruil voor strafvermindering vervolgens bij de bewijsvoering tegen andere boosdoeners in de financiële sector hielpen. Of deze pro-actieve fase (vóór een officieel onderzoek) van financieel recherchewerk ook in Nederland toepasbaar is, moet zeker na het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie-Van Traa worden betwijfeld.

    • Menno Tamminga