Noordgroningers vieren carnaval als Hollanders

Niet alleen het zuiden viert carnaval, ook een stukje Noord-Groningen. Prins Johannes de Zevende zwaait de scepter in het katholieke Kloosterburen, waar enige duizenden mensen naar de optocht komen.

KLOOSTERBUREN, 19 FEBR. Leunend tegen het hek van zijn voortuin schudt de grijsaard lachend zijn hoofd. “Ik ben te oud voor die grapp'n”, merkt hij met een Groningse tongval op. “De buurvrouw gaat wel, mijn kleinkinderen ook. Die hebben zich als clown verkleed en ze zijn opgedoft.” Het is zondagmiddag, bijna twee uur. In de Hoofdstraat van Kloosterburen wachten enige duizenden nieuwsgierigen op de carnavalsoptocht. Terwijl de muziek uit de luidsprekers bonst - Annie, hou jij m'n tassie effe vast, want die goser wil met me dansen - draaien alle gezichten richting Molenrij, het nabij gelegen gehucht waar de kleurrijke stoet vandaan moet komen.

Vastenavond in Kloosterburen, een dikke twintig kilometer van de Lauwerszee. Een polonaise met nuchtere Noordgroningers als Breeksema, Broutsma, Bruinsma, Eelkema en Ennema, het is wel even wennen. De prins heet Johan Zuidema, of beter Johannes. Johannes de Zevende, want zes naamgenoten gingen hem voor. Het bijna 1.700 inwoners tellende Kloosterburen, behorend tot de gemeente De Marne, viert het zottenfeest al sinds 1970, toen de inmiddels weggetrokken buurthuis-beheerder Cees van Noort het introduceerde.

“We zijn hier toch ook katholiek”, had de ondernemende Van Noort op zekere avond in het plaatselijke café Willibrord geroepen. Niemand kon hem tegenspreken. Kloosterburen - Kronkeldörp dezer dagen, omdat er zoveel bochtige wegen naar het plaatsje leiden - vormt het begin van een roomse enclave, die zich via Molenrij, Nijenklooster naar Wehe den Hoorn uitstrekt. “In de tachtigjarige oorlog woonde hier katholieke adel”, weet gemeente-archivaris Russchen. “En die blééf katholiek, ook al stond daar een hoge boete op. Hij nam zelfs priesters in huis en had een eigen huiskapel.” In de vorige eeuw kwamen er veel roomsen bij, toen de overheid in het gebied Brabanders en Limburgers tewerkstelde om de dijken te versterken. “Die mensen bleven er vaak wonen”, vervolgt Russchen, “en ze hadden andere procreatie-normen dan de protestanten. Anders gezegd: hun kindertal was veel groter.”

Typisch zuidelijke namen komt men in het telefoonboek echter nauwelijks tegen. De families zijn authentiek Gronings, Feddema, Feenstra, Huizinga, Huttinga, Kamminga, enzovoort. “Kloosterburen is een community”, staat er in de geschiedenisboeken geschreven. “Het is een sociale eenheid met een sterke interne samenhang. In het dorp heersen sterke 'wij-gevoelens'. De bevolking is een introverte groep mensen met kliek-aspiraties.” Prins Johannes meent dat dat met carnaval in elk geval heel anders is. “Dan is iedereen hier gelijk, wie hij ook is of waar hij ook vandaan komt. Het is toch een verbroederingsfeest?”

Vastenavond is Kloosterburens grootste festijn. De dorpelingen - de helft van hen is bij de carnavalsvereniging Oldeclooster aangesloten - maken er werk van. Maandenlang hebben ze gebouwd aan zo'n twintig praalwagens die er mogen wezen. De meegevoerde teksten zijn soms vinnig. Zo huft 't nait staat er op een taxi van de kruisvereniging, die een aanhanger vol rommel meesleept. Commissaris van de koningin Vonhoff, van gips, toont dat er niks boven Groningen gaat en de Franse president Chirac wordt voor de laatste keer gewaarschuwd: stoppen met die atoomproeven.

De sfeer in Kloosterburen is vrolijk, maar er is duidelijk sprake van een tweedeling onder de aanwezigen. De meerderheid bestaat uit stille kijkers, niet-verklede nieuwsgierigen die na de optocht meteen hun auto opzoeken en naar hun huis rijden in een naburig dorp of in de stad Groningen. De mensen uit Kloosterburen dragen zelfgemaakte of gehuurde carnavalstenues en zijn enthousiaster en luidruchtiger. Een serieuze kroegentocht zit er echter niet in, want Kronkeldörp telt maar twee cafés: Willibrord en het Kronkelhoes, een soort patronaat dat door de leden van Oldeclooster is gebouwd.

Wie het Kronkelhoes na de optocht betreedt, moet evenwel vaststellen dat het carnaval in Kloosterburen een straatlengte achter ligt op dat in het zuiden. En ook dat het die achterstand nooit zal inlopen. Meedoen aan het zottenbal zit niet in de aard van de meeste noorderlingen. Het Groningse dorp ligt te ver boven de Moerdijk - ruim tweehonderd kilometer - en velen van zijn feestgangers, de Stiekema's, Adema's, Blomsma's, Bottema's en Halsema's, roepen herinneringen op aan een figuur uit een sketch van wijlen Godfried Bomans in de jaren zestig. De Haarlemse schrijver imiteerde destijds fijntjes de geforceerde danspasjes en de misplaatste kreten van een Hollander, die met carnaval in de gewezen generaliteitslanden was verzeild geraakt.

Trouwens, prins Johannes de Zevende van Kronkeldörp moet nog in de leer. Dat hij niet weet wat een rommelpot is, is geen schande, want dat roffelinstrument (een varkensblaas met een stuk riet, gespannen over een potje met water) is reeds decennia in onbruik met vastenavond. En de prins is pas 37 jaar. Erger is dat hij op de vraag wat carnaval nu precies inhoudt als antwoord geeft: “Het einde van de vasten bij de katholieken.” Nee, hij had toen nog geen bier op.

    • Guido de Vries