JULES DE CORTE 1924-1996; Bitterzoete humor

Jules de Corte, die zaterdag op 71-jarige leeftijd is overleden, was van alle Nederlandse liedjesmakers en -zangers veruit de bedachtzaamste. Wat hij schreef en zong, was het resultaat van een beschouwelijke levenshouding, waarin een romantisch verlangen naar een ideale wereld in balans werd gehouden door een ironische en soms ronduit zwartgallige kijk op de samenleving. “Je vrienden de mensen / je vijand de maatschappij”, schreef hij in zijn laatste bundel Ik ben je reisgenoot (1994). En uitgewogen was ook de eenheid van tekst en muziek - de concieze woorden, zo helder als glas, waren op aansprekende melodietjes gezet die zonder effectbejag het idee droegen en versterkten.

Zijn jongensjaren bracht Jules de Corte door op het roomskatholieke blindeninstituut St. Henricus in Grave, waar hij piano- en orgellessen kreeg en uit liefhebberij zijn eerste liedjes schreef. Toen hij daar in 1945 werd uitgezwaaid, leek hem een toekomst als pianist voor bars, dansscholen, bruiloften en partijen te wachten. Een optreden in het ziekenprogramma van de KRO bracht hem echter in contact met de radio, waar hij zijn voornaamste werkterrein vond. Dertig jaar lang, vanaf 1955, was hij in vaste dienst bij de KRO, waar hij onder meer teksten schreef voor talloze amusementsprogramma's en ook jarenlang zijn eigen rubriek Roulette maakte - een ongeëvenaarde mixage van eigen liedjes en bestaande plaatopnamen uit de hele wereld.

Al in de jaren vijftig schreef Jules de Corte zijn klassiek geworden filosofische chansons Ik zou wel eens willen weten en Waar blijft de tijd, de satirische fabel De vogels en het cynische Naar, dom jongetje. In het controversiële liedje Het bruidspaar liet hij voor het eerst zijn twijfels over het reguliere katholicisme doorschemeren - het ging over een stel dat moet trouwen omdat er een kind op komst is, en daarom door de rest van de familie in de steek wordt gelaten: “Die zaten 's zondags vroom en vredig in hun kerken / om God te danken voor hun spijkerhard geloof.” Omdat dat van de KRO niet op de radio mocht, zette De Corte het in 1962 op zijn plaat Liedjes die eigenlijk niet mogen.

In die tijd zette hij zich in woord en geschrift ook af tegen de onbenulligheid van het Nederlandse populaire lied. “Liedjes schrijven heb ik altijd een moeilijke zaak gevonden”, schreef hij in 1963. “Echt iets om altijd u tegen te blijven zeggen. Iets wat men in de radiowereld maar zelden doet.” Het feit dat anderen met banale teksten en makkelijke deuntjes veel meer succes hadden dan hij met zijn veel zorgvuldiger repertoire, inspireerde hem tot een sardonisch lied over de benarde positie van de chansonnier: “Wie in Nederland wil zingen / over moeilijkere dingen dan: mijn hart doet pijn / zal het telkens weer ervaren / dat zijn scheppingen als het ware / bijna onverkoopbaar zijn...”

Gaandeweg werd hij feller. Wat eerst nog met een mantel van roomskatholieke mildheid was omhuld, stond in de loop van de jaren zeventig in het teken van huiver over de milieuvervuiling en groeiend ongeloof in het geloof van zijn jeugd. Hij zong: “Ik heb een half uur bij de poort gekeken / die aan het eind ligt van het laatste pad. / Ik heb geen troon gezien waar God op zat / noch engelen de bazuinen horen steken...” Zijn gedachten over de wereld - nog steeds met een relativerende ondertoon, maar steeds vaker ook uitgesproken sarcastisch - uitte hij van 1971 tot 1983 dagelijks op zijn antwoordapparaat, dat als de Cortefoon een soort 06-nummer avant la lettre was.

Door zijn gezondheid moest Jules de Corte het optreden begin jaren tachtig staken. In 1985 werd hij WAO'er. Maar hij bleef schrijven en piano spelen - geen chansonnier had zo'n fijnzinnig toucher als hij. En wat hij schreef, vertoonde nog steeds die twee kanten: enerzijds dichterlijk en grappig, maar anderzijds grimmig over machthebbers en de hypocrisie van de christenheid. Zijn laatste bundel bevatte alleen nieuw werk. Een bloemlezing uit zijn hele oeuvre is er niet. Dat is een gemis, want hij heeft honderden liedjes gemaakt waarvan er vele tientallen een toonbeeld zijn van raffinement - schijnbaar eenvoudig van tekst en muziek, maar bij elkaar de unieke nalatenschap van iemand die met geen enkele wind ooit meewaaide en met zijn inzichten vaak ver vooruitliep. Met zijn bitterzoete klank had Jules de Corte een volstrekt eigen stem, die door niemand kan worden vervangen.

    • Henk van Gelder