Groei en schoon milieu gaan niet samen

Eind vorige week werd weer eens aangetoond (in studies van het Instituut voor Milieuvraagstukken en van het Centraal Planbureau) dat het milieu niet hoeft te lijden onder economische groei. Vast en zeker, het 'hoeft' niet. Het gebeurt alleen wel: het is een natuurwet dat de lucht opklaart als de economie sukkelt. De groeisupporters maken slordig gebruik van woorden als 'kunnen', 'mogelijk' en 'hoeven' en daar zit het misverstand. Dat valt het best te illustreren met een vergelijking.

Autoverkeer zonder overtredingen van de maximumsnelheid is 'mogelijk'. Als maar genoeg politici de kwestie van het te hard rijden tot nationale prioriteit bestempelen. Als de politie maar genoeg manschappen van andere taken af haalt om ze snelheidscontroles te laten uitvoeren. Als we de burger maar een mentaliteit kunnen bijbrengen waarin respect voor de wet en innerlijke rust overheersen.

Autoverkeer zonder overtredingen van de maximumsnelheid is uitgesloten. De wegen zijn lang, recht en breed. Een politicus die te veel zeurt over langzamer rijden kan een baantje gaan zoeken. De politie heeft wel meer te doen en heeft trouwens op het gebied van snel rijden zelf een mentaliteitsprobleem. De burger heeft lak aan de wet, zeker als de pakkans gering is, en krijgt verder de haast, en het genot van scheuren, in het door de vrije markt geregeerde dagelijks leven continu als norm gepresenteerd.

Zo 'kan' ook economische groei samengaan met een mooi milieu - en ik leen wat termen uit het verslag in deze krant over de bedoelde studies - als duurzaam gedrag wordt gestimuleerd door overheidsingrijpen, als niet-materiële waarden in het leven de overhand krijgen, als er technieken voor milieuverbetering worden ontwikkeld, en als de vrije markt daarbij haar werk kan doen.

Maar 'kunnen' en kunnen is twee. De overheid heeft de afgelopen twee decennia bewezen duurzaam gedrag niet te kunnen of te willen stimuleren. Politici worden er niet populair van als ze hierover preken. Een aantal van de genoemde voorwaarden zijn bovendien met elkaar in strijd. De vrije markt zet aan tot consumeren en dat leidt tot het tegendeel van duurzaam gedrag, in het bijzonder tot weggooien. De contradictie tussen de niet-materiële waarden en de markt is op het komische af: wat is de vrije markt anders dan het najagen van individueel materieel gewin? En ook los van de hedendaagse radicale marktideologie is onze cultuur zo doortrokken van materiële waarden dat je daar vóór 2030 (de datum waar het Instituut voor Milieuvraagstukken zich op richt) niets aan verandert.

Het is waar dat op onderdelen het milieu er beter aan toe is dan enkele tientallen jaren geleden. De lucht en de Rijn zijn bijvoorbeeld schoner. Maar wetgeving, normstelling en herstelbeleid kunnen er pas komen als er problemen zijn. Technologische ontwikkeling in een vrije markt, gedreven door het streven naar groei, zal steeds voor nieuwe problemen zorgen (mest, grondwatervervuiling, broeikaseffect, nieuwe chemicaliën..), ook al worden er tegelijkertijd oude opgelost. Ook dat oplossen gaat overigens niet altijd goed: op een of andere manier is het in onze vrije markt met de vele technieken voor bodemreiniging slecht afgelopen. Het pleidooi van het IvM voor ontwikkeling van technologie die specifiek op milieuverbetering is gericht doet daarom pathetisch aan. Waar de regels nog ontbreken zal het altijd voordeliger zijn de gemeenschap met de rommel op te zadelen, en in de politieke structuur van de democratische wereld hebben belangengroepen volop mogelijkheden om regelgeving te traineren.

Wie iets voor mogelijk verklaart en daarbij voorwaarden noemt, moet nagaan of aan de voorwaarden kan worden voldaan. Aan de voorwaarden voor het samengaan van groei en een schoon milieu kan niet worden voldaan, dus kunnen de twee niet samengaan. Voeg daarbij het ervaringsfeit dat krimp juist altijd samengaat met schoon, en de conclusie moet zijn dat groei en een schoon milieu hoe dan ook niet zullen samengaan.

    • Herbert Blankesteijn