Een ballade voor de trail der helden

Het liefste leger van Europa. Dit imago kleeft de Nederlandse krijgsmacht sinds enige tijd aan en voor de goede orde: dat is geen compliment. Een mogelijke verklaring voor het als al te zachtzinnig beschouwde militaire optreden is gezocht in het verleden; er zou geen Nederlandse krijgshaftige traditie bestaan. Wie dat zegt ziet iets over het hoofd, namelijk het Nederlandse koloniale avontuur in Indië waarvan de toon voor een belangrijk deel gezet werd door een niet aflatend krijgsrumoer. De negentiende-eeuwse koloniale geschiedenis is een aaneenschakeling van militair optreden geweest met als weergaloos slotaccoord de oorlog in Atjeh, die duurde van 1873 tot ver in de twintigste eeuw. Daar, op de Noord-kust van Sumatra, lag een wereld vol militaire heroïek en romantiek, maar ook een wereld waar terreur en wreedheid heersten. Het zijn twee kanten, die beide behoren tot dezelfde Nederlandse krijgshaftige traditie.

Als iedere andere oorlog kende ook die in Atjeh zijn eigen folklore, een geromantiseerde voorstelling van zaken met als absolute vedetten mannen als Scheepens, Campioni, Christoffel, commandant van de gevreesde 'colonne matjan' (tijgercolonne), en Darlang, bijgenaamd de 'heer der bergen'. Ook luitenant-kolonel G.C.E. van Daalen was zo'n Atjeh-vedette. Van Daalen had zijn legendarische status vooral te danken aan een tocht door de Gajo- en Alaslanden die hij als bevelhebber in 1904 maakte met een colonne van 200 marechaussees en 450 dwangarbeiders.

Nog in 1938 vroeg H.C. Zentgraaff, hoofdredacteur van de gezaghebbende Indische krant De Java-bode, zich af of er 'geen dichter [was] die van deze trail der helden eene nationale ballade kon maken, een epos dat de jongeren zouden lezen met stokkende adem?' Nu was de werkelijkheid van Van Daalens tocht tamelijk prozaïsch, wat niet weg neemt dat zij de adem evengoed doet stokken, daar was geen dichter voor nodig: gedurende vijf maanden werden door Van Daalen en zijn mannen 2902 mensen gedood, waaronder 1159 vrouwen en kinderen. Dat was meer dan een kwart van de totale bevolking van de schaarsbewoonde valleien.

Zo bot als Van Daalens optreden was, zo nauwkeurig was de rapportage na afloop van een gevecht. Direct na verovering van een vijandige benteng (versterkte kampong) liet hij alle gesneuvelden tellen. Daarbij werd netjes onderscheid gemaakt tussen mannen, vrouwen en kinderen. Na terugkomst verwerkte luitenant J.C.J. Kempees, Van Daalens adjudant, de tijdens de expeditie verzamelde gegevens tot een boek dat verscheen in 1905. Het boek bevat 29 'fotogrammen' gemaakt door officier van gezondheid H.M. Neeb, die tijdens de expeditie de beschikking had over een uitvouwbare donkere kamer. Op sommige van die foto's zijn zonder veel moeite lijken waar te nemen; ze liggen half opgestapeld tussen de puinhopen van de zojuist veroverde benteng. De foto's laten zien hoe het was afgelopen, niet hoe het was toegegaan. Daarvoor moeten we terecht bij de beschrijvingen van de gevechten, die Kempees opgetekende: “Mannen, vrouwen en kinderen, ook vrouwen voor het meerendeel van een blank wapen voorzien, stonden daar dooreen, en uit die menigte vlogen lansen en vielen enkele schoten op den troep, die daardoor in een oogenblik eenige gewonden meer kreeg. . . Het was dus zaak zich die drommen door een zoo hoog mogelijk opgevoerd snelvuur van het lijf te houden. . . De uitwerking van dit vuur was ontzettend. Iedere kogel maakte in deze dichte gelederen meerdere treffers, en in zeer korten tijd was het bloedig drama afgespeeld, en lagen de voor de onzen meest gevaarlijk staande drommen neer. . . Het bleek dat onder de menschenhoopen nog 61 kinderen ongedeerd konden voor den dag gehaald.” 61, ze zijn in ieder geval geteld.

Na thuiskomst werden enkelen van de Van Daalens marechaussees opgenomen in het ziekenhuis. Volgens Kempees “deden deze zieken in hun ijlende koorts niets anders dan: vechten, aanvallen, hunne brigades commandeeren, kameraden aansporen, vijanden dooden, en bentengs veroveren; wel een bewijs hoe dit hun geheele wezen vervulde.” De 'trail der helden' bleef hen voorlopig bij als een nachtmerrie, een hallucinatie die de werkelijkheid misschien dichter benaderde dan de nationale ballade die Zentgraaff er in zag. Of de overste er zelf nog wel eens slecht door heeft geslapen, weten we niet. Volstrekte verbeeldingloosheid, is in ieder geval een eigenschap die hem is toegeschreven en juist dàt kan nog wel eens van pas komen in het métier van de militair. Een 'absoluten soldaat', niet voor niets is Van Daalen zo genoemd door die andere Atjeh-grootheid, Generaal Van Heutsz. Hij beschouwde zich als de uitvoerder van een instructie die was gebaseerd op, zoals de geleerde Snouck Hurgronje het in de jaren 1890 had geformuleerd, 'zeer gevoelig slaan, zoodat vrees de Atjehers weerhoudt van de gevaarlijk geworden aansluiting aan die bendehoofden'.

Het korps marechaussee te voet dat Van Daalen aanvoerde tijdens de tocht had zich ontwikkeld tot een uitstekend instrument om deze (contra-)terreur ten uitvoer te brengen. Het officiële korpslied liet over hun intenties weinig twijfel bestaan, getuige deze korte uit het Maleis (de marechaussee bestond vrijwel volledig uit 'inlandse' brigades) vertaalde passage: Slaat erop, marechaussee! Voor een dode komen er tien in de plaats. Wanneer we kijken naar de tocht door de Gajo- en Alaslanden, is dat zelfs nog een grove onderschatting: tegenover de 2902 doden aan Atjehse kant verloor Van Daalens colonne slechts 26 doden. Tussen folklore en werkelijkheid gaapt als altijd een diepe kloof.

    • Harm Stevens