D-day in Dayton

In de jaren dat de oorlog woedde in Bosnië werd ons aangeraden om hulp te zoeken bij de literaire gevoeligheid van schrijvers als Ivo Andric. Vooral zijn De brug over de Drina wordt gezien als de kennismaking bij uistek met de diepe wrok tussen de verschillende bevolkingsgroepen. In dat boek wordt een meesterlijke geschiedenis geweven rond de brug die beide oevers van het stadje Visegrad verbindt. Vanaf de bouw door de Turken in de tweede helft van de zestiende eeuw tot aan de vernietiging door de Oostenrijkers in 1914 schotelt Andric de lezer een milde vertelling voor van eeuwenlange religieuze twist en samenleven.

Ook periodes van betrekkelijke rust komen aan de orde. Zoals het einde van de negentiende eeuw waarin Bosnië onder het gezag van Wenen raakt. Andric schrijft: “Het volk vond orde, verdiensten en veiligheid. En dat was genoeg om te maken dat het uiterlijke leven zich ook hier voortbewoog langs lijnen van vervolmaking en vooruitgang.”

Maar de formulering over het “uiterlijke leven” is niet geruststellend, want blijkbaar woelt het innerlijke leven nog steeds. En inderdaad, hij vervolgt: “Al het andere werd teruggedrongen in het donkere onderbewustzijn, waarin de grondgevoelens en onverwoestbare overtuigingen van ieder ras, zijn geloofsrichting en kastegevoel leven. Schijnbaar dood en begraven bereiden zij zich, als in een smeltkroes, voor op latere, verre tijden van onvermoede veranderingen en catastrofen, waar de volkeren - naar het schijnt - nu eenmaal niet aan ontkomen en dit land zeker niet.”

In dit deel van Europa heeft het noodlot wel een heel huiselijke betekenis gekregen. Zoveel verschillende heersers zijn voorbij gekomen, zoveel oorlog en verwoesting heeft men ondergaan op deze frontlijn van beschavingen, dat gelatenheid tot een tweede natuur is geworden. Hoe zou men na al die jaren een speelbal in de handen van anderen te zijn geweest, een besef van verantwoordelijkheid voor de eigen geschiedenis kunnen hebben?

Elke keer wanneer de presidenten van Servië, Bosnië en Kroatië in een nieuwe onderhandelingsronde opduiken - zoals deze dagen in Rome - dan valt de schaamteloosheid van de drie op. Zo op het eerste oog zijn ze nog steeds vervuld van hun eigen gelijk en vinden ze de militaire en materiële steun van de wereld tamelijk vanzelfsprekend. Ze buigen zich met frisse tegenzin over een vrede die niet de hunne lijkt te zijn.

Wiens vrede is het eigenlijk wel? Ook niet de onze, die van de Europese Unie. Zeer velen in West-Europa, ikzelf niet uitgezonderd, hebben zich misschien teveel op sleeptouw laten nemen door het fatalisme van Andric. Hoe kan men zich verantwoordelijk voelen voor mensen die zozeer hun geschiedenis als vreemden ondergaan?

De Nederlands-Britse schrijver Ian Buruma heeft zich enkele jaren geleden zeer hardhandig afgezet tegen de neiging om conflicten te culturaliseren: “Hoe komt het dat buitenstaanders zo dikwijls culturele clichés toepassen om de meest gruwelijke misstanden te rechtvaardigen?”. Zijn opmerking zou aan 'diepte' hebben gewonnen - ik durf het woord nauwelijks meer te gebruiken - als hij niet enkel buitenstaanders, maar ook deelgenoten als Andric had genoemd.

Hij stelt een pijnlijke vraag: “Ik heb herhaaldelijk horen zeggen dat de Balkan-oorlog moest worden gezien als een vulkaanuitbarsting, die men op zijn beloop moest laten. Men had hetzelfde kunnen zeggen over de jodenvervolging in Duitsland: lagen de sporen daarvan ook niet in een euwenoude cultuur? En wat dan nog?” Helaas was de vernietiging van het Europese jodendom nauwelijks een reden voor de geallieerden om ten strijde te trekken tegen Hitler-Duitsland.

Ook al verwerpt men met Buruma de neiging om conflicten te culturaliseren, het valt tegelijk niet te ontkennen dat Europa nog steeds naar zichzelf kijkt als een geheel van nationaal gelede “grondgevoelens en onverwoestbare overtuigingen”, om de woorden van Andric te gebruiken. Hoe zou men anders de verlamming die de Europese diplomatie in zijn greep heeft willen verklaren?

Daarom was Dayton een herhaling van D-Day. Hoe duurzaam het vredesaccoord ook zal blijken te zijn, het vormt een dramatische illustratie van Europees onvermogen om vrede te bewerkstelligen op het eigen continent. Gebleken is dat de Europese Unie geen middel tot oplossing van de zoveelste Balkan-oorlog is, maar een onderdeel van het probleem vormt. Deze verdeeldheid wordt in West-Europa vaak gestileerd tot culturele diepte, waaraan het de Amerikanen zou ontbreken. Vooralsnog vaart de gemiddelde burger van Bosnië wel bij de oppervlakkigheid van Amerika. Dayton is de triomf van een diplomatie die niet wil weten van het gewicht van het verleden, of althans deze draak met zeven koppen voor overwinnelijk houdt.

De betekenis van deze gebeurtenis daar in het verre Ohio is nog onvoldoende doorgedrongen. In Dayton is een heel vocabulaire uit de rails gevlogen. De massieve diplomatie van de Amerikanen staat tegenover de verfijnde onmacht van de Europeanen. Het geloof in een maakbare vrede heeft het vooralsnog gewonnen van de aanvaarding van oorlog als onontkoombaar gegeven.

Hier raken we aan het punt waarop de literaire onderschatting van het “uiterlijke leven” een verdovende uitwerking krijgt. Michaël Zeeman schreef enige tijd geleden naar aanleiding van een roman van Mirko Kovac: “Door verwijzingen en verhalen die de indruk moeten wekken dat al die haat verklaarbaar is, worden die stemmingen hooguit voor de sier gerationaliseerd. Dat is ook de reden waarom politiek en politicologie nooit een stap verder komen in hun pogingen de maatschappelijke werkelijkheid te begrijpen of te beheersen, laat staan te voorspellen. Er is een artistieke sensibiliteit nodig om vast te stellen wat zich achter de beginselverklaringen en partijprogramma's afspeelt, wat er woelt onder de oppervlakte van beschaafde omgangsvormen.”

Literatuur is het domein van het tragische, politiek de kunst van het mogelijke. Het is eenvoudig om de gevoelige gedachte dat de politiek niet zou kunnen beheersen aan de hand van Joegoslavië te ontzenuwen. Wat men ook van Tito en de zijnen wil beweren: ze zijn er een kleine veertig jaar lang in geslaagd de vrede te bewaren in deze veelvolkerenstaat. Over de dwang waarmee dat is gebeurd valt veel te zeggen, maar dat met politieke middelen oude passies beheerst én gebruikt kunnen worden, lijkt wel zeker. Er bestaat zoiets als een kunst van de politiek om de altijd sluimerende rampen van de menselijke natuur te voorkomen of juist uit te lokken.

Waar gaat de aandacht naar uit: lange perioden van vrede en 'uiterlijke' beschaving of crisis waarin het hele kaartenhuis in elkaar dondert? Is de “oppervlakte van beschaafde omgangsvormen” niet het hoogst bereikbare in het maatschappelijk verkeer? Dus we hebben het niet over 'eeuwige vrede', of over 'innerlijke beschaving', maar over altijd kwetsbaar samenleven. Een consequent nageleefde rechtsstaat en een redelijke bestaanszekerheid kunnen althans een tijdlang de maatschappelijke vrede waarborgen. Dat is op het geheel van de geschiedenis misschien niet meer dan een knipoog, maar in een mensenleven al gauw beslissend.

    • Paul Scheffer