'Collectie Nederland verdeelt armoe'

Hoe verzamelen de grote Nederlandse kunstmusea? Daarover discussieerden museummedewerkers en kunsthistorici afgelopen vrijdag in Haarlem. Hoe gaat het met de 'Collectie Nederland'?

De term dook voor het eerst op in de nota Kiezen voor kwaliteit uit 1990, waarin de toenmalige cultuurminister haar museumbeleid uiteenzette: de Collectie Nederland. Ofwel: het totale Nederlandse museale bezit. Dat moesten de musea in de toekomst bij hun aankopen in het oog houden. Lang genoeg, vond Hedy d'Ancona, hadden conservatoren zonder onderling overleg ieder voor het eigen museum verzameld. Maar niet elk provinciaal museum hoefde zijn eigen Ruysdael of Nauman aan te kopen, in elk geval niet op kosten van de overheid. Ze zouden beter hun collecties kunnen 'herschikken' door kunstwerken te ruilen.

Hoe staat het zes jaar later met die gedachte? En met het verzamelbeleid in het algemeen? Daarover discussieerden vrijdag zo'n honderd kunsthistorici, van universiteiten en musea, in het Haarlemse Teylers Museum, op een studiedag die was uitgeschreven door de Onderzoekschool Kunstgeschiedenis.

“De collectie Nederland is nog steeds een papieren ideaal”, vond Peter Hecht, hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht en directeur van de onderzoekschool. Bezoekers aan het Rijksmuseum Twenthe zijn nog immer verrast om daar een Holbein te vinden; in de catalogus van het Mauritshuis, dat de andere drie in Nederland aanwezige Holbeins bezit, vind je hem immers niet genoemd. Zozeer zijn musea nog altijd met hun eigen verzameling bezig, dat zij zelfs bij het maken van hun bestandscatalogi niet naar kunstwerken elders verwijzen, aldus Hecht. Hij pleitte er dan ook voor om het Nederlandse kunstbezit per categorie - bijvoorbeeld: Vlaamse primitieven, achttiende-eeuwse Franse schilderkunst - te beschrijven.

Zowel Michiel Jonker, onlangs benoemd als hoofd Collecties van het Mauritshuis, als Ronald de Leeuw, directeur van het Van Goghmuseum, vonden dat het met de Collectie Nederland zo slecht nog niet ging. Het Van Goghmuseum ontvangt in elk geval binnenkort van het Stedelijk Museum een aantal schilderijen (onder meer van Mauve en Alma Tadema) en sculpturen (Degas en Rodin) in bruikleen, werken die in de Van Gogh-collectie ontbraken, maar die het museum toch niet wilde kopen omdat er al voldoende van in Nederlands museaal bezit waren.

Jan Piet Filedt Kok, directeur Collecties van het Rijksmuseum, verklaarde dat de Collectie Nederland toch vooral was bedacht 'om de armoede wat leefbaarder te maken.' Al twintig jaar heeft het Rijksmuseum een aankoopbudget van slechts 750.000 gulden, een bedrag waarmee je tegenwoordig op de internationale kunstmarkt nog geen vlieg doodslaat. Weliswaar weten de grote musea dat bedrag enkele malen te verhogen dankzij sponsoring en de bijdragen van de diverse kunstfondsen, maar dan nog waren vrijwel alle aankopen van het Rijksmuseum van de afgelopen jaren volgens Filedt Kok te danken aan de onoplettendheid van andere musea, verwarring op de kunstmarkt, of domweg aan geluk.

Met ongebruikelijke openhartigheid, met vermelding van alle prijzen, liep Filedt Kok vervolgens de aankopen van het Rijksmuseum van de afgelopen jaren door om die stelling te onderbouwen. Als klapstuk noemde hij de aankoop van het schilderij van de remonstrantse predikant Johannes Uyttenbogaert door Rembrandt. Dit doek werd het museum na de veiling in 1992 aangeboden voor 16 miljoen gulden. In de internationale pers woedde al snel een discussie over de voorgenomen aankoop, omdat werd betwijfeld of Rembrandt het wel helemaal zelf had geschilderd. “Dat dat meteen publiekelijk werd uitgesproken heeft ons nogal geholpen”, aldus Filedt Kok. Het museum kreeg ruim de tijd om het geld bijeen te schrapen. En na de schoonmaak kwam de Uyttenbogaert er volgens hem beter uit dan menig scepticus had verwacht.

Van het bestaan van collectieplannen, waarvoor het ministerie van Cultuur in 1990 eveneens pleitte, bleek vrijdag maar weinig. Het Rijksmuseum en het Mauritshuis kopen al jaren alleen het beste dat op de markt is en topstukken dienen zich nu eenmaal slechts bij toeval aan. Alleen het Van Goghmuseum bleek bewust kunstvoorwerpen te verzamelen waarvan er in Nederland nog niet veel zijn: negentiende-eeuwse pastels en sculpturen bijvoorbeeld. Over één ding waren alle sprekers het echter eens: voor buitenlandse kunst is bij de particuliere kunstfondsen nauwelijks geld los te krijgen. En dus zullen de oude kunst-musea nog wel geruime tijd een overwegend Nederlands beeld van de kunstproduktie in het verleden laten zien.

    • Kitty Kilian