Charmant als het kan, scherp als het moet

K.G. de Vries (52) wordt per 1 april de voorzitter van de Sociaal-economische raad (SER). Als politicus viel hij op als een scherp debater, als bestuurder bleek hij een harde onderhandelaar. Nu kan hij een Porsche-rijder op de ventweg worden of een charmante doordouwer.

Een jongen was ie nog. Maar in het bezit van een helder verstand en een scherp oordeel. “Nou, ik kan de mensen hier nog een hoop leren, de leraren erbij”, berichtte de jeugdige briefschrijver aan zijn oud-docent. De brief kwam uit St. Paul, Minnesota (USA). De afzender was een Nederlandse student aan de Hamline University. P.H.W. Schoonheid, zijn leraar Grieks aan het Grotius-college in Heerlen kon destijds een glimlach niet onderdrukken over de onbevangenheid van zijn vroegere pupil. “Ach, je zag het eigenlijk op school al een beetje aankomen. Hij was een bijzondere leerling, iemand van wie je wist, daar gaan we nog meer van horen.”

Met een Fullbright-beurs vertrok de gymnasiast Klaas George de Vries in 1961 naar de Verenigde Staten. Hij was de eerste op zijn school aan wie zo'n beurs werd toegekend. Zijn klasgenoten keken tegen hem op, zijn leraren koesterden hem, en zelf was hij dus allesbehalve geïmponeerd. Bescheidenheid zou nooit zijn fort worden. Hij noemt de zaken liever direct bij zijn naam. Straight, recht voor z'n raap en eigenzinnig, zouden ze hem later nog vaak noemen. Scherp en ondiplomatiek ook. Hij leek er zelf wel plezier in te hebben, in die rol van intellectuele solist. Een beetje uitdagen en provoceren, als Tweede-Kamerlid was hij er zeer bedreven in.

“Klaas is op zijn best als hij apodictische uitspraken kan doen”, constateert oud-collega M.A.M. Wöltgens. En zo iemand gaat dan de Sociaal-economische raad leiden, dat instituut waar vaagheid en voorzichtigheid domineert. De Vries als voorzitter van de SER: dat is zoiets als een Porsche-rijder verbannen naar de ventweg. Dat is vragen om ongelukken, oordelen sommigen. “Hij moet daar continu op eieren lopen”, voorziet Tweede-Kamerlid en voormalig medewerker van de SER, A.D. Bakker. Hij kon in zijn gymnasiumtijd al praten als Brugman, was praeses van de schoolvereniging, schreef (onder het pseudoniem Kadaver) gedichten en verhalen in de schoolkrant en toonde zich een begenadigd toneelspeler. Kortom, het type dat door een overmaat van kwaliteiten doorgaans wordt uitgestoten door zijn medeleerlingen. Zo niet, Klaas de Vries. “Daarvoor was hij gewoon te aardig”, vindt klasgenote Elvira Thompson-Krijgsman. Hij had vaak de leiding, maar bleef tegelijk toch ook een individualist, iemand die de populariteit van de kring niet zocht. Een zoeker, die aarzelde of hij rechten of theologie zou studeren. Na het jaar Amerika werd het rechten in Utrecht.

Misschien zat het ook een beetje in zijn milieu. Hij groeide in zijn geboorteplaats Hoensbroek op in de wijk Treebeek, een min of meer protestantse enclave. Leraren en ingenieurs van de mijnen, allemaal van oorsprong boven-Moerdijks en niet-katholiek, bevolkten de wijk. Het ouderlijk milieu was hervormd, maar niet fanatiek. Vader De Vries, leraar in het middelbaar onderwijs, was begin jaren vijftig de eerste PvdA-wethouder in Hoensbroek en ging daarnaast regelmatig voor in de plaatselijke hervormde kerk. Zoon Klaas volgde niet de religieuze keuze van zijn ouders, later wel de politieke. In de mijnwerkersplaats Hoensbroek lag de staatsmijn Emma ongeveer in de achtertuin; in de familiekring zag hij als jongen ooms met stoflongen, de gevolgen van langdurig ondergronds verblijf. Het bepaalde in sterke mate zijn keuze voor de Partij van de Arbeid.

Zijn eerste baan (bij het ministerie van Justitie) was voor De Vries zoiets als een cultuurshock. Als afgestudeerd rechtenstudent is hij geselecteerd voor een interne opleiding. Samen met generatiegenoten als R.J. Hoekstra, de latere rechterhand van premier Lubbers op het ministerie van Algemene Zaken en A.W.H. Docters van Leeuwen, de huidige voorzitter van het college van procureurs-generaal bij het openbaar ministerie. De omgeving beschouwt hen als goudvinkjes, maar de te verrichten arbeid is heel nederig. Brieven van verontruste burgers mag De Vries bij de Hoofdafdeling Privaatrecht namens de minister beantwoorden. Justitie kende toen nog archaïsche en vormelijke verhoudingen. Aan de directheid van De Vries bestond weinig behoefte, wel aan het soort brieven “dat deze aangelegenheid van burgerlijke aard niet vatbaar is voor tussenkomst mijnerzijds”. De Vries hield het er niet lang vol. De parafencultuur was hem een gruwel. “Het was snel duidelijk dat hij geen blijvertje zou zijn. Het in de ambtelijke lijn lopen zag hij toen al niet zo zitten”, herinnert zijn toenmalige kamergenoot, tegenwoordig raadadviseur wetgeving privaatrecht, I. Jansen zich. Van de overheid stapt hij over naar de wetenschap, waar hij aan de Erasmus-universiteit als wetenschappelijk medewerker staats- en bestuursrecht zijn intellectuele kwaliteiten ruimschoots kan uitleven. Hij zal er onder meer de rechtenstudent J.J. Vis nog tentamen afnemen. De wetenschap bindt hem totdat de politiek roept.

Als De Vries in 1973 na de vorming van het kabinet-Den Uyl vanuit de kelder van de kandidatenlijst in de Kamer belandt, is hij totaal overrompeld. “Ik herinner me dat hij aanvankelijk zei daar heb ik nu nog even geen tijd voor. We moesten daar toen hartelijk om lachen”, aldus zijn toenmalige collega, oud-staatssecretaris E. ter Veld. Het was destijds geen bescheidenheid, die lichte aarzeling om toe te treden tot de Kamer. De Vries is niet afkerig van macht, al zal hij het zelf niet zo noemen. In de buitenlandhoek van de PvdA-fractie, een arena met destijds louter zwaargewichten, vocht hij stevige kwesties uit. “Als hij een zaak gewonnen had, mocht hij dat graag laten blijken, herinnert oud-fractiemedewerker B.J. van den Boomen zich. Ook viel het op dat De Vries zijn tegenstander in het debat graag 'helemaal plat mocht slaan'. Hij opereerde dan als een Amerikaans type politicus volgens het principe: the winner takes all. Tweede-Kamerlid J.F.B. van Rey, die De Vries later als voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie bouwsubsidies meemaakte: “Ik luisterde heel graag naar hem. Hij kon heel goed met argumenten jongleren, waarbij hij bekwaam de indruk wist te wekken dat hij er zelf ook in geloofde.”

De bestrijding van kruisvluchtwapens was zo'n onderwerp waarbij menigeen zijn twijfels had over zijn motieven. Met verve verdedigde De Vries in 1985 de stelling dat kruisvluchtwapens in Nederland alleen na grondwettelijke toetsing (met tweederde meerderheid) geplaatst konden worden. A.L. ter Beek, commissaris van de koningin in Drenthe, destijds fractiegenoot en buitenlandspecialist: “De juridische bezwaren tegen de kruisraket heeft Klaas zelf verzonnen. Ik was geen jurist, maar ik dacht van het begin af: dat heeft niet veel om het lijf. Als middel om verwarring te scheppen bij de regeringsspartijen was het wel een geslaagde actie.”

Het debat voerde hij graag, maar dan wel op zijn eigen termen. Nauwelijks anderhalf jaar Kamerlid ventileerde De Vries in 1975 scherpe kritiek op het functioneren van de Kamer ('Voor echte politiek moet je niet in de Tweede Kamer zijn'). Zijn kritiek was even ongebruikelijk als ter zake, maar junior-Kamerleden lieten zich zo niet uit. Klaas de Vries dus wel en zonder aarzeling. Een jaar of tien later ergerde Jan Schaefer, oud-wethouder van Amsterdam en oud-staatssecretaris van Volkshuisvesting zich als parlementariër aan het functioneren van de Kamer. Hij sprak in ronde woorden over 'honderdnegenenveertig grijze muizen' die de Kamerbankjes bevolkten. 'Ha, dikke grijze muis', zo voegde De Vries zijn fractiegenoot bij de eerstvolgende fractievergadering ironisch toe.

Vijftien jaar was hij Tweede-Kamerlid. Een ministerschap hoefde hij niet, zei hij wel eens, maar dat geloofde eigenlijk niemand. Het uitoefenen van macht zat hem in de genen, alleen had hij zijn eigenzinnigheid en de situatie tegen: bij Den Uyl hoorde hij niet tot de intimi en onder Kok gingen gedweeëre types voor. Pas later zou Kok de kwaliteiten van De Vries onderkennen en hem vragen als informateur voor het 'paarse' kabinet. Zijn meesterstuk werd de parlementaire enquête bouwsubsidies. De 'grote bek' liet zich kennen als een geduchte onderzoeker en ondervrager en leverde een knap rapport af. Hij bleek ook een samenbindende figuur die sterk uiteenlopende opvattingen en karakters in zijn commissie wist te verenigen. Toen kwam de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hij had de baan niet gezocht, maar bleek feilloos te passen in de functie van hoofddirecteur. Zijn analytische kwaliteiten en zijn nadrukkelijke optreden gaven de VNG smoel En opnieuw bleken zijn kwaliteiten als teamleider. De secretaris van het VNG-bestuur, de Groningse wethouder H.J. Pijlman: “De Vries is in staat mensen soms over hun eigen schaduw te laten stappen, ze een stapje verder te laten doen dan ze zelf van plan waren.” Er waren er ook die andere, ongemakkelijkere ervaringen hadden met De Vries. PvdA-minister Kok en fractieleider Wöltgens bijvoorbeeld. De Vries liet zich als VNG-baas kennen als een harde onderhandelaar. Wöltgens, tegenwoordig burgemeester van Kerkrade en lid van de Eerste Kamer: “Ik heb wel eens overwogen een beroep te doen op zijn partijloyaliteit. Hij hield geen enkele rekening met de problemen die ministers als Kok en Dales al op hun departement hadden.”

Ter Veld ervoer als staatssecretaris van Sociale Zaken aan den lijve hoe De Vries als tegenspeler opereerde. “ Klaas is heel slim en hij heeft geduld. Als jij iets wil, weet hij jou in een positie te brengen dat je iets moet. Hoe hij dat doet? Het is de manier waarop hij in zo'n gesprek stilte weet te bewaren.”

Kok zag bij de vorming van zijn kabinet geen minister in hem, in 1994 wel een informateur. Als één van de drie die de kansen van een 'paarse' coalitie mocht onderzoeken. De ironie wilde alleen dat De Vries zich kort ervoor vrij helder tegen 'paars' had uitgesproken. Maar als de koningin (via je partijleider) roept, dan ga je. De Vries als 'procesbegeleider', dat had niemand kunnen denken. Collega-informateur J.J. Vis, lid van de Raad van State: “In zijn scepsis over 'paars', vond ik hem een typische sociaal-democraat, maar omdat hij sterk resultaatgericht is kreeg hij er vanzelf zin in toen hij eenmaal bezig was.” Binnenskamers was De Vries de harde werker, de man die er 's morgens het eerst was en zich manifesteerde als een dossiervreter. Naar de buitenwereld opereerde hij als een nazaat van PvdA-informateur Burger: charmant als het kon, scherp en een beetje grof als het moest. Zoals op een persconferentie tegen Den Haag Vandaag-verslaggeefster Wouke van Scherrenburg: “Mevrouw ik vind dit, geloof ik, geen intelligente vraag van u.” En dan nu het voorzitterschap van de SER. Een spilfunctie in de tegenwoordig zo verguisde overleg-economie, heer over een rijk waar besluitvaardigheid vaak lijkt uitgebannen en snelheid doorgaans gemeden wordt. Kan dat goed gaan? Mensen die hem meemaakten bij de VNG, die hem zagen groeien als samenbindende figuur en hem kennen als een man die in staat is heldere analyses te maken, geven hem veel krediet. Partijgenoot Wöltgens: “Het is misschien helemaal niet zo slecht dat de SER in het huidige anti-corporatistische klimaat iemand krijgt, die voor concensus staat.” De regering, de sociale partners en de politiek zijn gewaarschuwd: er zit daar straks een charmante doordouwer.