Wetenschap op haar best

JOHN CAREY, red.: The Faber Book of Science

528 blz., Faber and Faber 1995, ƒ 52,50

Er zijn maar zeer weinig mensen die durven toe te geven dat ze slecht zijn in spelling, of dat ze de betekenis van een woord niet weten. Maar confronteer ze met een simpel sommetje, of een natuurkundeopgave, en heel vaak zul je te horen te krijgen dat ze 'absoluut niet kunnen rekenen' of 'nu eenmaal nooit wat van die exacte vakken hebben gesnapt'. En dat terwijl wetenschap toch zo leuk kan zijn. Het vervelende is alleen dat voor een goed begrip van bijna ieder willekeurig onderwerp een zekere hoeveelheid achtergrondkennis en inzicht onontbeerlijk zijn. Daarom haken velen al af, ver voordat de pret echt begint.

Voor een deel is dat de schuld van de wetenschapsbeoefenaars zelf. Maar weinigen onder hen zijn in staat iets zó te brengen, dat het voor een groot publiek gaat leven. Misschien is dat ook wel de reden dat het met de wetenschappelijke kennis droevig is gesteld, dat natuurwetenschappers vaak worden gezien als een onverantwoordelijk soort mensen, die atoomwapens ontwikkelen en sleutelen aan ons erfelijk materiaal, en dat de publieke belangstelling zich beperkt tot uitzonderlijke gevallen als Stephen Hawking, de geniale natuurkundige, die zijn populariteit grotendeels dankt aan het feit dat hij aan een rolstoel is gekluisterd. Het is een illustratie van de inmiddels bijna tot cliché verworden kloof tussen de two cultures - de alfa's en bèta's - zoals de Britse schrijver en natuurkundige C.P. Snow die in 1959 signaleerde.

Dat er in de afgelopen paar honderd jaar bijzonder boeiende wetenschappelijke literatuur is verschenen, laat John Carey, criticus en hoogleraar Engelse taal- en letterkunde in Oxford, zien in het eind vorig jaar verschenen Faber Book of Science. Daarin geeft hij een sprankelend overzicht van vijf eeuwen speurwerk naar de raadselen der natuur: van Leonardo da Vinci tot aan Asimov. Niet voor niets werd Carey's verzameling door veel critici van Engelse kranten gekozen tot een van de opvallendste boeken van 1995. Als wetenschap nu maar altijd zo gebracht zou worden - als betrof het een detectiveroman - dan zou er al heel veel gewonnen zijn.

Neem de lotgevallen van Dimitri Mendeleev. In de jaren zestig van de vorige eeuw probeerde hij enige orde te scheppen in de veelheid aan atoomsoorten die op dat moment waren ontdekt. Er waren al zo'n 70 verschillende elementen als koolstof, waterstof en ijzer bekend, die in combinatie met elkaar allerlei chemische verbindingen opleverden. Ook had men ontdekt dat sommige elementen vergelijkbare eigenschappen vertonen, maar tot een consistente rangschikking was nog niemand gekomen. Mendeleev vond na jaren denkwerk zijn Periodiek Systeem uit, waarin alles op zijn plaats viel. Het was alleen wat verontrustend dat er een paar plekken open bleven. Mendeleev was echter vol vertrouwen en, naar later bleek, terecht. Want in de jaren daarna werden in Duitsland, Frankrijk en Zweden respectievelijk germanium, gallium en scandium ontdekt, met eigenschappen die precies klopten met Mendeleevs voorspellingen. Wetenschap op haar best.

Krabbelaars

Mendeleevs werk leidde tot ordening van een aanvankelijk chaotische werkelijkheid. Andere natuurwetenschappelijke ontdekkingen spreken tot de verbeelding omdat ze een onontgonnen terrein blootleggen, of nemen in één klap de sluier weg die tot dan toe een helder zicht in de weg stond. Carey geeft van elk talloze voorbeelden, maar hij heeft ook een open oog voor de krabbelaars aan de zijlijn, de dwalenden of de fraudeurs.

Zo was er de Engelse natuuronderzoeker Philip Henry Gosse, de David Attenborough van de negentiende eeuw, die een theorie bedacht om te verklaren waarom Adam een navel moet hebben gehad, hoewel hij die volgens de bijbel natuurlijk niet nodig had. Of de Duitse professor Johann Beringer, die fossielen beschouwde als het persoonlijk handwerk van God, die verschillende levensvormen eerst had 'uitgeprobeerd' voordat hij de echte schiep. Beringer was zo verblind door deze hypothese dat hij zich om de tuin liet leiden door een aantal studenten die hem allerlei stenen brachten waarop tekeningen stonden van vreemde insekten, vogels en vissen, die nog nooit eerder op aarde waren aangetroffen. Het verhaal gaat dat de schellen hem pas van de ogen vielen toen hij een scherf kreeg aangeboden met zijn eigen naam erop. De rest van zijn leven was hij bezig om alle exemplaren van het boek waarin hij zijn theorieën had ontvouwd op te kopen en te verbranden. Tevergeefs, zijn lotgevallen werden zo beroemd dat er na zijn dood alsnog nieuwe edities van werden uitgegeven. Het zijn maar een paar voorbeelden uit Carey's brede selectie: van de voortplanting van de sluipwesp tot de raadselen der quantum-mechanica. Zonder uitzondering getuigen de artikelen van de enorme gedrevenheid en het plezier van de wetenschappers tijdens hun ontdekkingsreis. Bijzonder is daarbij dat iemand zonder exacte achtergrond hun lotgevallen zonder problemen kan volgen. The Faber Book of Science levert daarom een waardevolle bijdrage om de 'kloof van Snow' nu eindelijk eens definitief te dichten.

    • Rob van den Berg