Starheid nekte nazi-leger

Bart van der Boom; Bart van der Boom is historicus RICHARD OVERY: Why the Allies won

396 blz., Jonathan Cape 1995, ƒ 63.-

Waardoor wonnen de Geallieerden de Tweede Wereldoorlog? Het is een bijna impertinente vraag. We zouden graag denken dat zoveel slechtigheid als bijeengebracht in de As-mogendheden wel het onderspit moest delven. Toch heersten zij eind 1941 van Lapland tot Griekenland, van Biarritz tot Moskou; over half China en heel Zuidoost-Azië. Toen was een geallieerde nederlaag heel wel voorstelbaar. Twee jaar later, begin 1944, niet meer.

Why the Allies won van de Britse militair historicus Richard Overy is een soms imposante en immer onderhoudende analyse van deze ommekeer. Eerst laat Overy zien, aan de hand van een bespreking van de belangrijkste slagvelden, hoe de oorlog werd gewonnen. Vervolgens schetst hij waarom: door de verschillen tussen de strijdende partijen wat betreft economie, militaire technologie, leiderschap en, vrij gedurfd, moraal en moreel.

Het eerste deel is grotendeels oude koek. Het verhaal van de konvooien en de onderzeeërs, van Stalingrad en Koersk, van Normandië, is al uitentreuren verteld. Controversiëler is Overy's analyse van de strijd in het Duitse luchtruim, waar 's nachts de Britten Duitse steden per vierkante mijl platgooiden, en overdag de Amerikanen 'precisiebombardementen' uitvoerden, die die naam niet verdienden. Zeshonderdduizend Duitse burgers kwamen daarbij om, meer dan alle Amerikaanse en Britse oorlogsslachtoffers bij elkaar.

De destijds en nog immer omstreden vraag of de Geallieerden zich op deze wijze niet verlaagden tot de beestachtigheid van de vijand laat Overy onbeantwoord. Hij trekt echter fel van leer tegen de wijdverbreide opvatting dat de bombardementsstrategie militair gezien onzinnig was. Overy kan en wil niet ontkennen dat de bombardementen in de verste verte niet bereikten wat sommige voorstanders in het vooruitzicht hadden gesteld: verlamming van de wapenproduktie en ineenstorting van het Duitse moreel. De Duitse burgers kwamen niet in opstand tegen hun regime, de oorlogsproduktie bleef tot de zomer van 1944 groeien. Intussen wisten de Duitsers wel grote aantallen kostbare machines en hoogopgeleide piloten naar beneden te halen.

Daar staat tegenover, zegt Overy, dat zonder bombardementen de Duitse produktiegroei nog veel groter zou zijn geweest. De permanente dreiging van de geallieerde bommenwerpers dwong de Duitsers bovendien steeds meer jagers van het oostfront over te brengen naar het luchtruim boven het Reich. Daar werd de Luftwaffe definitief verslagen, in het voorjaar van 1944, toen de Geallieerden eindelijk op het idee waren gekomen hun jagers met extra brandstoftanks uit te rusten zodat ze de bommenwerpers tot in Duitsland konden beschermen. Zonder deze door de bombardementen uitgelokte luchtoorlog hadden de Geallieerden niet zo snel de totale heerschappij over het luchtruim kunnen veroveren die de geplande invasie in Normandië vereiste, aldus Overy, die deze visie overigens al in 1980 verdedigde in The air war 1939-1945.

Fascinerend

Meer nieuws en originaliteit biedt het tweede deel van Why the Allies won, de analyse van de oorlogseconomieën, de technologische wedloop, de leiders en de invloed van het morele gelijk van de Geallieerden.

Wat de economische oorlog betreft is de grote vraag hoe het mogelijk was dat de Sovjet-Unie en de VS zo snel een zo groot produktieoverwicht konden krijgen op Duitsland. De uitgangspositie van de Geallieerden was namelijk nogal ongunstig: de belangrijkste Russische industriële gebieden waren in handen van de Duitsers, terwijl de Amerikanen pas eind 1941 serieus gingen bouwen aan hun oorlogsindustrie. De Duitsers daarentegen beschikten over een militair-industrieel complex avant la lettre en de grondstoffen van het gehele Europese continent.

Het antwoord is fascinerend. De Amerikanen misten ervaring, hadden geen wapenindustrie of een traditie van planning, maar bezaten een machtig alternatief: het privé-ondernemerschap. Zodra duidelijk werd dat aan oorlog geld viel te verdienen, schakelde de industrie soepel over van Cadillacs op tanks. En met overweldigend succes. Al in 1942 vervaardigden de VS meer wapentuig dan de As-mogendheden bij elkaar. De firma Ford alleen was produktiever dan heel Italië.

Ook de Sovjets brachten een klein wonder tot stand. Grote delen van de zware industrie waren in de herfst van 1941 in allerijl geëvacueerd naar het oosten, weg van de aanstormende Duitsers, en daar onder de meest primitieve omstandigheden weer opgebouwd. Voedsel, warmte en behuizing waren schaars. De Russische grondstoffenvoorraden waren kleiner dan de Duitse, de Russische arbeiders veel minder goed geschoold. Desondanks produceerden de Sovjets in 1942 al meer dan de vijand.

Het Russische geheim was een soort tegeltjeswijsheid: eenvoud en volharding. De Russische arbeiders doorstonden de ontbering en de lage rantsoenen - een kwart van de Duitse! - omdat ze op dat gebied al heel wat gewend waren. De propaganda, die zoals bekend niet het communisme tot inzet van de strijd maakte, maar het overleven van Moeder Rusland, zweepte de bevolking op tot grote haat jegens de vijand. De autoriteiten wisten bovendien beter dan wie ook wat plannen was. De Russische fabrieken waren vies en gevaarlijk, de wapens die zij afleverden simpel en lelijk afgewerkt. Maar ze functioneerden goed, waren simpel te onderhouden en vooral talrijk.

De Duitse oorlogsindustrie was niet eenvoudig als de Russische of pragmatisch als de Amerikaanse, maar perfectionistisch en rigide. Het initiatief lag hier niet bij de ondernemers, zoals in de VS, of bij de overheid, zoals in de Sovjet-Unie, maar bij het leger. En het leger eiste hoogwaardig wapentuig, toegesneden op de laatste eisen. Het resultaat was een door de militaire bureaucratie verlamde industrie en een proliferatie van types: 151 soorten vrachtwagen, 150 soorten motorfiets. Massa-produktie was op die manier onmogelijk, onderhoud te velde uitzonderlijk gecompliceerd.

Daarnaast investeerden de Duitsers veel moeite en tijd in de ontwikkeling van hypermoderne wapens zoals de raket en de straaljager. Die kwamen er ook, maar toen was het te laat. Niet nazi-Duitsland plukte de vruchten van deze investering, maar de NAVO. Zo ging de hoge kwaliteit van de Duitse wapens ten koste van de kwantiteit. Volgens een naoorlogse schatting draaide de Duitse industrie maar op de helft van haar capaciteit.

Moreel gelijk

Langzaam verrijst uit Overy's boek een overtuigend profiel van de strijdende partijen: de inventieve, optimistische en verbijsterend succesvolle Verenigde Staten met in hun kielzog een voorzichtig en met zijn beperkte mogelijkheden woekerend Engeland; een grove, eenvoudige, maar door haat en angst tot grote hardnekkigheid opgezweepte Sovjet-Unie; een verfijnd en spiritueel, maar technologisch en industrieel achterlijk Japan en een perfectionistisch, overgestructureerd en star Duitsland.

Minder overtuigend is Overy's stelling dat ook het moreel gelijk van de Geallieerden bijdroeg aan hun overwinning. De Geallieerden, zegt hij, veroverden 'the moral high ground' door de identificatie van hun zaak met 'progressive, post-Enlightenment values'. Ongetwijfeld, maar enkele pagina's verderop legt hij uit dat hele volksstammen dat progressieve gedachtengoed tijdens het interbellum juist als hopeloos gedateerd terzijde hadden geschoven. Precies daarom konden racisme en nationalisme gedijen. De Amerikaanse moral high ground was de Duitse niet, laat staan de Japanse.

Natuurlijk heeft een agressor meer aan zijn bevolking uit te leggen dan een aangevallene. De Duitse propaganda was echter niet voor een kleintje vervaard. Ze wist halverwege de oorlog de rollen behendig om te draaien door permanent te hameren op de dreigende ondergang van het Avondland door toedoen van de Aziatische bolsjevistische horden. Ook de Japanners werd met succes ingepeperd dat de Amerikanen, een soort barbaarse reuzen, in geval van een nederlaag niemand zouden sparen. Een betere motivatie voor volharding is nauwelijks denkbaar.

Het gedrag van de Japanse en Duitse soldaten biedt evenmin veel aanknopingspunten voor Overy's these, of het moest zijn dat extreem veel Duitse frontsoldaten wegens desertie werden geëxecuteerd; procentueel bijna drie keer zo veel als in de gelederen van het Rode Leger. Tegelijkertijd vochten zowel de Duitsers als de Japanners vaak beter en fanatieker dan hun tegenstanders, ook toen hun zaak verloren was. Moreel gelijk lijkt daarmee weinig te maken te hebben. Soldaten, zo wordt algemeen aangenomen, vechten helemaal niet voor recht, ideaal of vaderland, maar uit solidariteit met hun maten. Ze vechten voor elkaar.

Het blijft verontrustend, maar de Geallieerden wonnen niet omdat zij de gerechtigheid aan hun kant hadden.