Racisme

CHRIS QUISPEL: Dienaar en Bruut

238 blz., uitg. DSWO, Rijksuniversiteit Leiden, 1995, ƒ 75,55

Het idee van racisme als een besmettelijke en verslavende geestesziekte waaraan ook naties kunnen lijden, drong zich aan mij op bij het lezen van het proefschrift Dienaar en Bruut van Chris Quispel, een vergelijkende studie over het racisme in het zuiden van de VS en Zuid-Afrika in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Er blijkt een wisselwerking te bestaan tussen maatschappelijke problemen en de toeneming van racistische uitingen. De blanke bevolking in deze gebieden nam, zodra zij onder druk kwam te staan, haar toevlucht tot racisme om haar positie en eigendunk te versterken.

De schrijver gaat na hoe de segregatiewetten (Jim Crow-wetten) in het zuiden van de VS en de apartheidswetten in Zuid-Afrika tot stand kwamen en wat deze betekenden voor de blanke en zwarte bevolking. Hoewel er parallelle ontwikkelingen zijn aan te wijzen, had het racistisch denken en handelen in beide gebieden verschillende gevolgen. Volgens Quispel werd dit in de eerste plaats veroorzaakt door de rol die de staat speelde en, als consequentie daarvan, door de rol van (een deel van) de blanke bevolking.

Zoals bekend waren uitbuiting en onderdrukking in de VS na de afschaffing van de slavernij in strijd met de constitutie. De federale staat zag er op toe dat de zuidelijke segregatiewetten de rassenscheiding regelden op basis van de 'separate but equal' gedachte. De meerderheid van de blanke bevolking in het zuiden zag echter niets in de gelijkheidsgedachte en werd hierin gesteund door de deelstaten die de federale wetten aan hun laars lapten. Toch slaagden de blanken er niet in één front te vormen en zwarten uit te sluiten, omdat ze soms de steun van de laatsten nodig hadden in hun onderlinge belangenstrijd. Rivaliserende politieke partijen en vakbonden maakten al of niet tijdelijk gebruik van zwarten om overwicht te krijgen en fabriekseigenaren zetten hen niet zelden in als stakingsbrekers tegen blanke arbeiders. Het gevolg was dat zwarten wat ruimte kregen om zich te ontwikkelen.

In Zuid-Afrika was daarvan geen sprake. Hier speelde de staat in op het racisme van haar blanke burgers en legde uitbuiting en onderdrukking van zwarten vast in de apartheidswetten. Ze verhief racisme tot staatsideologie en veroordeelde de zwarten tot de laagste economische klasse. Zwarten stonden overal buiten, werden ook niet ingezet in de blanke belangenstrijd. Hierdoor konden de blanken, ondanks hun heterogene samenstelling, de eenheid bewaren en een hoge welvaart bereiken. De conclusie luidt dus dat waar de apartheidswetten voor alle zwarten nadelig en voor alle blanken voordelig hebben gewerkt, de segregatiewetten niet voor alle zwarten nadelig en niet voor alle blanken voordelig hebben uitgepakt.

Na de behandeling van de ontwikkeling van de beeldvorming over zwarten en de betekenis daarvan voor de situatie op de arbeidsmarkt, beschrijft de auteur hoe het negatieve, stereotiepe beeld van zwarten werd gebruikt om de nationale eenheid te versterken. Beide gebieden vormden na een bloedige oorlog een nationale staat met hun voormalige vijanden. Deze nieuwe eenheid werd gefundeerd op een ingebeeld gevoel van verbondenheid (imagined communities) en een verzonnen verleden (invented traditions) waarin zwarten de rol van inferieure 'staatsvijand' kregen toebedeeld.

Dienaar en Bruut is vooral van belang omdat het laat zien hoe vernuftig racisme zich aanpast. Het is goed daarbij stil te staan. Want ondanks persoonlijke contacten en staatsbemoeienis zijn de mechanismen die in de onderzochte periode een rol speelden, tegenwoordig ook op de Nederlandse arbeidsmarkt operationeel.