Pools referendum voor velen raadsel

KRAKOW, 17 FEBR. Het is niet eenvoudig om in Kraków iemand te vinden die precies kan uitleggen waarover het referendum gaat dat zondag in Polen wordt gehouden. Het heeft te maken met privatisering, is het meest gehoorde antwoord, en met de manier waarop het staatsbezit of een deel ervan vervolgens onder de Poolse bevolking verdeeld moet worden.

Krysztof Görlich, wethouder van economische zaken in Kraków en lid van de liberale UW (de Unie voor de Vrijheid), vindt het referendum onzin en hij twijfelt zelfs of hij gaat stemmen. “Eigenlijk kun je de vragen alleen beantwoorden met 'ja, misschien' of 'waarschijnlijk niet'. En daarvoor is een referendum niet bedoeld. Wat de uitslag ook zal zijn, het is niet mogelijk om op grond daarvan tot zinnige wetgeving te komen.” Görlich voorspelt dat minder dan de helft van de stemgerechtigden zal komen opdagen, waardoor het referendum ongeldig is.

Het referendum is een initiatief van Lech Walesa. Het behoorde tot een van zijn laatste grote daden, voordat hij de presidentsverkiezingen afgelopen najaar verloor van Aleksander Kwasniewski, de kandidaat van het ex-communistische Verbond van Democratisch Links (SLD). De SLD beschuldigde Walesa ervan het referendum te gebruiken in de verkiezingsstrijd.

Hoewel dat misschien niet helemaal onjuist is, is de werkelijkheid iets ingewikkelder. Walesa had in juli 1995 zijn veto uitgesproken tegen de wet op de privatisering, die met steun van de SLD en de de Boerenpartij (PSL) was aangenomen. Die wet gaf de Sejm, het Poolse parlement, een beslissende stem in de verkoop van strategische staatsbedrijven, uit sectoren als olie, energie, mijnbouw, staal en bank- en verzekeringswezen. Volgens Walesa en de vakbond Solidariteit leidde de wet tot stagnatie van de privatisering. De invloed van de politiek zou, geheel volgens het oude communistische model, weer toenemen en politici zouden te gemakkelijk toegang krijgen tot hoge posten in het management van grote bedrijven. Uiteindelijk bestond bovendien het risico dat veel bedrijven toch in handen zouden blijven van de staat.

Walesa's veto werd echter met een nipte tweederde meerderheid (293 van de 290 benodigde stemmen) ongeldig verklaard in de Sejm. En de president restte alleen het middel van het referendum om nog iets van het grote privatiseringsprogramma te redden. Vandaar dat Walesa's vraag luidt: Moet al het staatsbezit worden verdeeld onder de gehele Poolse bevolking?

Pagina 18: Het echte debat gaat over de aard van de privatisering

Maar deze vraag is zo abstract, dat de Sejm er vier andere aan toevoegde, die voor een deel Walesa's vraag lijken te neutraliseren. In twee vragen worden suggesties geformuleerd voor een verbetering van de Poolse oudedagsvoorziening. Een deel van het geld voor de privatisering zou moeten worden gebruikt voor de verhoging van de pensioenen en voor het versterken van de financiële basis van het pensioenfonds, dat sinds de jaren zeventig kampt met ernstige tekorten, doordat de toenmalige regering met geld uit het fonds onder meer de bouw van een nieuw station in Warschau bekostigde. Over deze vragen bestaat onder politici weinig verschil van mening, niemand is ertegen.

Het echte politieke debat gaat over de aard van de privatisering. Moet die zich richten op een geselecteerd aantal bedrijven, of op het hele Poolse staatsbezit. Görlich lacht als hij probeert uit te leggen wat een 'ja' tegen algehele privatisering van het staatsbezit betekent: “Iedere Pool krijgt een certificaat op naam, waarop staat dat hij de bezitter is van een zoveel miljoenste deel van alle straten, ziekenhuizen, oceaanstomers en fabrieken in Polen. Het is alsof je probeert een nieuw vliegtuig te bouwen en over het indraaien van ieder schroefje vooraf moet stemmen. Wat moet ik straks met mijn certificaat? Misschien in de toekomst de arbeiders van een failliete fabriek betalen? Of verantwoordelijk worden gesteld voor een ernstig vervuilende industrie?”

De vakbond Solidariteit is voor algehele privatisering. Het is volgens vakbondsbestuurder Andrzej Koprowski een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Koprowski: “De SLD heeft veel te verliezen bij dit referendum. Alle bezittingen van de SLD, de voormalige communistische partij, en van de communistische vakbond OPZZ zijn in feite van de staat. Ons voorstel wordt onrealistisch genoemd, maar dat is het niet. Iedereen krijgt een certificaat op naam en als over een aantal jaren de waarde van alle Poolse bezittingen zijn geïnventariseerd, wordt de waarde van de certificaten vastgesteld. Daarna kunnen ze worden ingewisseld, bijvoorbeeld om met het kapitaal je eigen flat van de staat over te nemen.”

Het andere privatiseringsproject, dat inmiddels in volle gang is, vindt Koprowski veel gevaarlijker. Ruim 500 staatsbedrijven, allemaal middelgroot en geen van alle van strategisch belang, zijn ondergebracht in vijftien nationale investeringsfondsen (op één na allemaal met buitenlands kapitaal gefinancierd). Iedere Poolse burger kan voor 20 zloty (circa 12 gulden) een certificaat kopen dat hij onderbrengt in een van die fondsen. Op den duur kan zo'n certificaat behoorlijk wat geld opleveren. In het referendum wordt voorgesteld het aantal bedrijven dat aan dit project deelneemt fors uit te breiden.

Koprowski: “Zeven miljoen Polen hebben inmiddels zo'n certificaat gekocht, dat is ongeveer de helft, en twee miljoen hebben het onmiddellijk voor iets meer dan het dubbele weer verkocht. Bij verkoopplaatsen staan Duitse, Oekraïense en ook rijke Poolse speculanten te wachten om ze op te kopen. Het is een handige manier om zwart geld kwijt te raken. U moet niet vergeten dat het wemelt van voormalige partijsecretarissen die zich in de nadagen van het communisme een stevige positie in het bedrijfsleven wisten te verwerven. Deze manier van privatiseren leidt tot een harde vorm van kapitalisme, zonder dat Poolse burgers daarin enige zeggenschap hebben.”

Andrzej Mikolajewski van de SLD ziet dit gevaar, maar hij is toch voorstander van verdergaande bedrijfsprivatisering, “omdat”, zegt hij, “een meerderheid van de Poolse bevolking dat wil.” Volgens Mikolajewski wordt het onderwerp vertroebeld doordat het een politieke kwestie is geworden, daarvoor vindt hij het te belangrijk. “Walesa heeft het referendum vlak voor de verkiezingen uitgeschreven om er stemmen mee te winnen. Deze vragen hadden in 1989 gesteld moeten worden, toen er richting moest worden gegeven aan de nieuwe Poolse politiek. Nu is het te laat. Aan de andere kant is het juist veel te vroeg. Gewone mensen in Polen zijn nog niet klaar voor het spel van de vrije markt.”

Hoewel Mikolajewski voor privatisering van het totale staatsbezit is, ziet hij ook hier gevaren: “De waarde van die certificaten op naam is nog volstrekt onduidelijk. Het risico voor inflatie is groot als ze eenmaal op de markt komen. In het parlement wordt bovendien heel verschillend gedacht over wat er precies onder moet vallen - geen militaire industrie, geen wegen, geen nationale monumenten. Uiteindelijk zou de waarde wel eens heel erg kunnen tegenvallen. Dan dreigt de desillusie bij de Poolse bevolking. Daarvoor draagt Solidariteit de verantwoordelijkheid.” Is het dan niet vreemd dat de SLD toch voor deze drastische vorm van privatisering is? “Nee, want de vragen zijn zo algemeen geformuleerd, dat je onmogelijk tegen kunt zijn.” Wat Mikolajewski niet zegt is dat de SLD in de Sejm nog steeds de mogelijkheid heeft om grote bedrijven uit te sluiten van privatisering en daarmee de essentie van de privatisering onderuit te halen.

Görlich slaat het geruzie in de media tussen SLD en Solidariteit geamuseerd gade. Hij beschouwt het referendum als een reactie op ruim veertig jaar communisme: “De frustratie is groot. Het einde van het communisme heeft niet meteen tot rijkdom geleid. Integendeel, prijzen en huren gaan omhoog, werkloosheid neemt toe en voorzieningen, ondermeer de pensioenen, dalen. Dan ben je gauw geneigd om ja te zeggen als je een beetje van dat oude communistische bezit wordt aangeboden.”

    • Paul Luttikhuis