Orkest vraagt vele miljoenen extra subsidie

AMSTERDAM, 17 FEBR. Het Koninklijk Concertgebouworkest vraagt het rijk en de gemeente Amsterdam 2,6 miljoen gulden extra per jaar om de arbeidsvoorwaarden van de musici te verbeteren. Voor de komende vier jaar zou het orkest graag in totaal 510.000 gulden extra subsidie krijgen voor de Première-serie. Ook wil het orkest de komende vier jaar graag in totaal 940.000 gulden extra steun voor buitenlandse reizen. Na 2001 zouden die extra subsidies niet meer nodig zijn.

Het Concertgebouworkest zegt dat in een beleidsplan voor de komende Kunstenplanperiode 1997- 2000, dat is ingediend bij het rijk en de gemeente Amsterdam, die het orkest nu met zo'n 14 miljoen per jaar subsidiëren. Het orkest publiceerde gisteren ook het programma voor het volgende seizoen, waarin veel twintigste-eeuwse muziek klinkt met premières van muziek van Wagemans, Salonen, Rijvos, Berio en Kagel.

Er klinkt, na het Mahler Feest van vorig jaar, vrijwel geen Mahler, wel veel muziek van Bruckner (die 100 jaar geleden overleed), Schubert (in 1997 200 jaar geleden geboren) en Brahms (in 1997 100 jaar geleden overleden). Het contract met Riccardo Chailly, chef-dirigent sinds 1988, is inmiddels verlengd tot na het jaar 2000.

Het Concertgebouworkest wil de extra subsidie voor de Première-serie besteden aan 'produktontwikkeling en markt- en publieksontwikkeling.' In de Première-serie komen nieuwe stukken van belangrijke Nederlandse en buitenlandse componisten, waarmee het orkest het publiek wil verbreden en een nieuw avantgardistisch elan wil verwerven, naast het voortzetten van de tradities.

Het extra geld voor buitenlandse reizen moet de positie van het orkest op de toonaangevende buitenlandse podia versterken, zodat het orkest daarna in staat is buitenlandse optredens zelfstandig te financieren. Het Concertgebouworkest wil verder toestemming voor het opbouwen van een algemene reserve van 6 miljoen, maar vraagt daarvoor van de overheid geen financiële bijdragen.

Willem Wijnbergen, zakelijk directeur van het Concertgebouworkest, zegt dat met dit beleidsplan de overheid een keuze kan maken voor kwaliteit en variëteit. “We hebben het huidige seizoen eenmalig een Festival-serie gedaan met Boulez en Rostropowitsj. Ook met de Première-serie hebben we aangetoond dat zoiets succesvol is. We zeggen wat we willen hebben en wat we daarmee kunnen doen. Als de overheid iets bijzonders wil, moet zij daarvoor kiezen.

“Wij gaan niet failliet als de subsdies niet omhoog gaan voor de dromen die onze artistiek directeur Jan Zekveld op papier heeft gezet: opdrachten en premières voor stukken van Boulez, Tan Dun, Benjamin en Thomas Adès, die gevraagd worden als 'composer in residence', van Berio, Rihm, Donatoni, Kagel, De Vries, Keuris, Wagenaar, Rijnvos, Van de Putte en De Raaff.

“Maar wij willen graag artistiek bijzondere dingen doen, zoals concertante uitvoeringen van Boris Godoenov van Moessorgski, Bénédict et Beatrice van Berlioz, het Te Deum en het Requiem van Berlioz, Oedipus Rex van Strawinsky. Als dat niet kan, gaan we onze bedrijfsvoering zó aanpassen dat we succesvol verder kunnen. Maar dan zullen aantal en aard van de projecten anders zijn. Dan stabiliseren we en verlagen we de risico's.”

De aandrang om de salarissen te verhogen stond vier jaar geleden al in het vorige beleidsplan. Wijnbergen: “We worden nog steeds geacht 106 musici te hebben, terwijl we er ten minste 115 hebben, wat per jaar een miljoen extra kost. De honorering is niet in overeenstemming met de topprestaties die we van de musici vragen en moet worden verhoogd tot het niveau van een hoofdvakdocent aan een conservatorium. Maar we vergelijken liever met het buitenland. In Berlijn krijgt een beginnende tutti-strijker per maand 13.800 gulden, bij ons 4.250.”

Subsidies maken een steeds kleiner deel uit van het budget van het Concertgebouworkest: nu 55 procent. Door prijsverhogingen zijn de kassa-inkomsten de laatste jaren flink verhoogd, sponsors brengen flinke bedragen binnen en Wijnbergen hoopt naast ING, Sara Lee/Douwe Egberts en Cannonbinnen afzienbare tijd een nieuwe, vierde sponsor te werven als vervanger voor Daf, dat een paar jaar geleden in financiële problemen raakte. Een nieuw fonds met legaten en particuliere donaties, waaruit betere instrumenten en bijzondere activiteiten kunnen worden gefinancierd, heeft inmiddels een vermogen van bijna drie miljoen. De bedoeling is dertig miljoen te halen.

Wijnbergen: “We doen het wel goed, maar we zijn kwetsbaar. De premies van de ABP-pensioenen van de musici gaan omhoog, al leidt dat niet tot hogere pensioenen. Alle 'overheidsorkesten' zijn daarvoor volledig gecompenseerd, niet de orkesten in Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, die mede door de gemeente worden betaald. Amsterdam kreeg een rekening van zes ton, waarin de begroting niet voorziet. In onze begroting van zo'n 25 miljoen voor '96 staat nu een verlies van een miljoen gulden. Daarom is er het volgende seizoen geen nieuwe Festival-serie.

“Dirigenten en solisten worden nu door de sponsors betaald. De tournee-inkomsten vullen gaten die in Nederland vallen. Daarom moeten we een internationaal steviger basis krijgen. In Londen, Berlijn, Wenen en New York zijn we bezig onze uitkoopsommen op te krikken door daar ieder jaar succesvolle concerten te geven, publiek op te bouwen en daarmee onze positie te versterken. In New York is de uitkoopsom sinds vorig jaar bijna 50 procent hoger geworden. Nu betalen ze van 25 tot 70 dollar per plaats. De Wiener Philharmoniker vraagt in New York nog veel hogere prijzen, de pianist Pogorelic ook, dus daar gaan we wat aan doen.”