Oorzaak en gevolg van een schorsing in een ziekenhuis; Een psychiater die niet meer zonder zijn patiënt kon

Bijna een maand geleden benam de psychiater D. Oudshoorn zich het leven, nadat hij was geschorst door het ziekenhuis waar hij werkte. Als reden gold een 'te emotionele band' met een patiënt. De schorsing werd in een brief aan honderden instanties en de media bekend gemaakt. Werd Oudshoorn geslachtofferd? Apollo's noodlot - een reconstructie op basis van gesprekken met betrokkenen.

November 1990. Eerste aanmelding bij het psychiatrisch ziekenhuis De Grote Rivieren van de vijftienjarige Remco (pseudoniem). De jongen heeft sinds het begin van de puberteit last van angsten en durft niet meer naar school te gaan. Gedurende drie maanden wordt hij zeven keer door de jeugdpsychiater D. Oudshoorn behandeld. Er wordt niet gezocht naar oorzaak of diepere betekenis van de klachten; de behandeling lijkt succes te hebben.

Oktober 1992. Remco is vaak depressief en keert terug bij de psychiater. Oudshoorn schrijft medicijnen voor en onderzoekt nu ook de oorzaak van de depressiviteit. De psychotherapeutische behandeling duurt tot juni 1993.

Oudshoorn, zo schrijft zijn advocaat mr. M. van Coeverden later, vindt het in de jeugd-psychotherapie van groot belang dat er naast de behandelrelatie ook een reële relatie met de behandelaar ontstaat. Deze laatste ontkomt er niet aan om zo nu en dan ook iets over zichzelf te vertellen, bijvoorbeeld over gemeenschappelijke interesses. In de kinderpsychiatrie is een dergelijke beroepsopvatting geaccepteerd, mits zeer nauwkeurig onderbouwd, meent dr. F. Verhulst, hoogleraar kinderpsychiatrie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. “Dat een jeugd- of kinderpsychiater zich iets minder neutraal opstelt dan een psychiater die volwassen patiënten behandelt, is goed te begrijpen. Zo zal de toon die een jeugdpsychiater tegen een kind aanslaat anders zijn dan bij een volwassene, zijn woordkeuze past hij aan. Zijn houding is gemakkelijker, dat wil zeggen, niet die van een moraliserende vader maar zeker ook niet die van een vriend. Een 'reële relatie' is echter gebaseerd op gelijkheid en die is er nu juist niet tussen de behandelaar en het kind.” Verhulst onderstreept dat de jeugdpsychiater “zeer terughoudend” moet zijn en zich steeds moet afvragen: waarom doe ik dit en is dit in het belang van de ontwikkeling van het kind.

Halverwege 1993 hoort Remco van één van zijn klasgenoten die vroeger onder behandeling is geweest van Oudshoorn, dat de psychiater een boek aan het schrijven is. De klasgenoot had het manuscript gelezen en dat maakt Remco nieuwsgierig. Hij vraagt of hij, en zijn ouders, het manuscript ook mogen lezen. Oudshoorn stemt toe en vertelt daarover binnen het ziekenhuis. In die zomer overlijdt de vader van Oudshoorn. Eind 1993. De arts en zijn patiënt corresponderen over het manuscript. De behandeling is dan afgelopen “De toonzetting en stijl van de brieven sluiten aan bij de werkrelatie die de arts met de jongen had”, aldus advocaat M. van Coeverden, die de brieven niet ter inzage wil geven. Maart 1994. Remco is bang voor nieuwe depressies en doet weer een beroep op Oudshoorn. Deze ziet geen duidelijke psychopathologische symptomen. De depressies zouden seizoensgebonden kunnen zijn, maar echt duidelijk is dat niet. Na zeven zittingen wordt de behandeling in mei afgesloten. De tijd zal het leren, is de conclusie.

Daarna gaat Remco op zaterdagen de bibliotheek van Oudshoorn archiveren. Zij hebben beiden veel interesse voor literatuur en Remco biedt aan alle titels in de computer op te slaan. Deze archiefklus à ƒ 15,- per uur wordt aan de centrum-manager van het ziekenhuis medegedeeld. “Ik behandelde hem als een gewone werknemer en hij mij als werkgever”, zou Oudshoorn later schrijven in een brief aan de inspecteur van de gezondheidszorg. Later wordt een deel van het loon op een spaarrekening van de jongen gestort. In die tijd geeft Remco enkele tennislessen aan de psychiater en zijn echtgenote. In ruil daarvoor krijgt de inmiddels achttienjarige jongen een paar autorijlessen van Oudshoorn. Zomer 1994. De stemming van psychiater Oudshoorn slaat om. De dood van zijn vader een jaar daarvoor, heeft hem meer aangegrepen dan hijzelf vermoedde. Zijn vader was NSB'er en Oudshoorn heeft het daarmee altijd moeilijk gehad. Als kind voelde hij zich ongelukkig - onbegrepen en buitengesloten. Hij bleef zeer loyaal tegenover zijn vader, ook al mocht hij hem in feite niet. Dat verklaart, volgens één van zijn beroepsgenoten, enigszins Oudshoorns specialisatie in allochtone jongeren met psychische problemen; die hebben ook een vergaande loyaliteit tegenover hun ouders. Ouders zijn heilig ook al zijn zij een deel van het probleem. Oudshoorn en zijn vrouw zijn zelf kinderloos gebleven.

Oudshoorn omschrijft zijn gedrag achteraf als “sterk hypomaan”, dat wil zeggen overmatig vrolijk, druk en gul naar iedereen in zijn omgeving (hij wilde niet op zijn vrekkige vader lijken) en licht narcistisch. Hij heeft nog steeds contact met Remco, door hun gezamenlijke belangstelling voor cultuur, literatuur en mystiek. In brieven aan Remco vertelt Oudshoorn voor het eerst over zijn pogingen om gedichten te schrijven. Achteraf noemt hij de toon van die brieven “uiterst genant”. Die toon valt als dweperig, indringend en veeleisend te karakteriseren. Aan de inspecteur zal hij schrijven: “Als dichter draag ik de nom de plume: Apollo en als schrijver van proza heet ik Dick Oudshoorn”.

De psychiater bereidt de oprichting van een stichting voor, Energeia geheten, waarin ook Remco een plaats wordt toebedacht. Hij licht de directie en de Raad van Toezicht van het ziekenhuis hierover in, maar voert het plan niet uit. Achteraf bezien maakt de stichting volgens zijn advocaat ook deel uit van de “irreële geestesgesteldheid” van Oudshoorn.

Januari 1995. Volgens zijn ouders geeft Remco te kennen dat hij de vriendschap met Oudshoorn wil beëindigen. Maar eind februari gaat het echtpaar Oudshoorn met vrienden op wintersport. Remco en zijn broer zijn ook van de partij. Er zijn in totaal zes volwassenen en tien jongeren in de leeftijd van 14 en 28 jaar. De zes jongens, onder wie Remco en zijn broer, slapen met elkaar in één appartement. De volwassenen slapen in twee andere appartementen. De kosten van de vakantie, zoals het appartement, ski-huur en ski-pas en het eten, worden voor Remco grotendeels door zijn broer betaald. Mei 1995. Na de vakantie raakt Oudshoorn ervan doordrongen dat de relatie met Remco een “verkeerd en onzakelijk verloop” begint te krijgen. Oudshoorn zegt tegen Remco dat hij er in het vervolg beter aan doet een andere psychiater te raadplegen. Oudshoorn noemt enkele namen van collega's die veel verstand hebben van stemmingsstoornissen. Het contact tussen Oudshoorn en Remco is, in de woorden van advocaat Van Coeverden, “vanaf toen emotioneel steeds verder uit de hand gelopen”. Uit gesprekken met vrienden blijkt dat Oudshoorn te veel verwacht van Remco: dat hij goed presteert op school, dat hij bepaalde boeken leest en dat hij zijn vrije tijd rendabel besteedt. “Van enig seksueel getint contact is echter geen sprake geweest”, aldus de brief die de raadsvrouwe namens Oudshoorn naar de Raad van Toezicht stuurde.

Oudshoorn raakt zelfs vertwijfeld door de overheersende “emotionele kant van de vriendschap” met zijn voormalige patiënt en vraagt, mede op aanraden van zijn vrouw, een bevriende collega-psychotherapeut om hem te helpen. “De zaak begon nu ook de relatie met mijn echtgenote aan te tasten”, schrijft Oudshoorn later aan de inspecteur. Zo bemerkt hij dat hij meer waarde hecht aan het oordeel van Remco, over bijvoorbeeld zijn manuscript - waarin hij de wereld van adolescenten beschrijft - dan aan dat van zijn vrouw. Besloten wordt dat Oudshoorn ook de vriendschap met Remco opzegt.

Therapeut K. van der Velden begeleidt Oudshoorn bij het beëindigen van het contact met Remco. Van der Velden spreekt van een “uitglijder” en helpt zijn vriend weer met beide voeten op de grond te komen. Van der Velden: “Het is onprofessioneel als een onbaatzuchtige verhouding een baatzuchtige verhouding wordt. Als de psychiater niet meer zonder zijn patiënt kan.” Oudshoorn vraagt zijn therapeut of het verantwoord is verder te werken in het ziekenhuis. Van der Velden ziet daarin geen probleem.

Oktober 1995. In het najaar is Oudshoorn weer zichzelf en ziet hij “met grote gêne en spijt” terug op de tijd dat hij met Remco optrok.

3 januari 1996 . Het gaat opeens slecht met Remco. Hij meldt zich door tussenkomst van een huisarts bij de Riagg in Dordrecht, met psychische problemen. Remco vertelt daar over zijn vriendschap met Oudshoorn. De Riagg-psychiater schrikt en meldt zijn directeur, drs. P. van Heugten, dat Remco een instorting nabij is. De oorzaak ligt wellicht in het contact met psychiater Oudshoorn van Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis De Grote Rivieren. 5 januari. Op het kantoor van de Riagg heeft een gesprek plaats met de ouders van Remco. Daarbij zijn de directeur, een sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en het hoofd van de afdeling psychiatrie van de Riagg. De ouders vertellen alles wat zij weten over het contact met de psychiater. Over de vriendschappelijke gevoelens, de werkzaamheden in de bibliotheek, de wintersport, de poëtische brieven en de stortingen die Oudshoorn zou hebben gedaan op de spaarrekening.

De ouders hadden zelf, volgens Oudshoorn in een brief aan de inspecteur, een normale, prettige verhouding met hem. Zij hebben wel eens gegeten bij Oudshoorn en zij wisten dat hun zoon zich daar op zijn gemak voelde.

In het gesprek stellen de ouders, volgens de advocaat van de Raad van Toezicht van het ziekenhuis, mr. M. Klink, dat Remco ooit de relatie had willen beëindigen. Oudshoorn zou daar niet mee hebben ingestemd, “ondanks het teruggeven van alle geschonken boeken en het overmaken van vijfduizend gulden naar de bankrekening van Oudshoorn, die Remco had geleend”. Remco zou, volgens de brief die Oudshoorn van de Raad van Toezicht kreeg, dientengevolge “psychisch extra belast zijn”. 7 januari. De Riagg besluit op grond van de verklaringen van de ouders de inspecteur van de gezondheidszorg in te lichten met de bedoeling “de zaak” uit te laten zoeken. De Riagg stelt vervolgens zowel psychiater Oudshoorn op de hoogte als ook de Raad van Toezicht.

8 januari. Oudshoorn schrijft onmiddellijk een brief aan de inspecteur met een samenvatting van wat er volgens hem gebeurd is. Hij vraagt de inspecteur uitdrukkelijk om nader overleg over deze “penibele zaak”. Hij overweegt, om ieder risico op aantasting van zijn goede naam te voorkomen, zich te laten onderzoeken door een befaamde psychiater, die zou kunnen bepalen wat er zich precies zijn psyche zou hebben afgespeeld. Zelf denkt Oudshoorn aan een “eenmalige tijdelijke fase van decompensatie door een van buiten komende oorzaak” en hij acht herhaling uitgesloten. De inspecteur stelt een voorlopig onderzoek in naar het professioneel handelen van de arts. De Raad van Toezicht onderzoekt de klacht en eventuele arbeidsrechtelijke consequenties. 15 januari. Vooruitlopend op een oordeel van de inspecteur, besluit de Raad van Toezicht Oudshoorn op non-actief te stellen - te schorsen. Oudshoorn wordt op het kantoor van advocaat M. Klink van de Raad van Toezicht, verwacht. Daar mag hij zich in een persoonlijk onderhoud met de Raad “over de voorgenomen schorsing verstaan”. Klink wordt bij dat bezoek door Oudshoorn en zijn advocaat “met de grootst mogelijke kracht” verzocht geen beslissingen te nemen voordat het aangekondigde psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgehad. Aan dat verzoek wordt niet voldaan. De Raad van Toezicht biedt één alternatief: “De eer aan zichzelf houden”. Oudshoorn wijst dat af.

19 januari. Namens de raad schrijft voorzitter D. Essink op 19 januari “aan alle relaties” van het ziekenhuis een brief. Er gaan honderden exemplaren de deur uit. Een verkorte versie verschijnt prompt via het ANP op het nieuwsnet.

“Het spijt ons oprecht u te moeten mededelen dat wij als raad van toezicht van het APZ De Grote Rivieren, met onmiddellijke ingang dr. D.N. Oudshoorn, directeur behandelzaken, hebben moeten schorsen. De schorsing staat in verband met een ernstig verstoorde behandelrelatie ten aanzien van een patiënt. De Inspectie voor de gezondheidszorg is op de hoogte gebracht. De ontslagprocedure is in werking gesteld.

“Wij begrijpen dat deze mededeling als een schok voor u komt, zeker gezien het feit dat de heer Oudshoorn als geen ander in een reeks van jaren een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de vormgeving en verdere ontwikkeling van de geestelijke gezondheidszorg in de regio Dordrecht. Zijn vertrek zal een grote leegte achterlaten. De raad van toezicht betreurt het voorgevallende dan ook ten zeerste.”

De privacy van de psychiater doet hier niet ter zake, meent de raad. Essink: “Het ziekenhuispersoneel en de patiënten wisten om wie het ging - de directeur Behandelzaken. En aan de pers hebben wij geen familienaam gegeven, dus die verantwoordelijkheid ligt niet bij ons. Daarbij vonden wij dat de verwijzers moesten weten om wie het ging om te voorkomen dat zij naar Oudshoorn zouden verwijzen. Daarbij wisten we dat de conclusie van ons onderzoek min of meer overeen kwam met de voorlopige conclusies van de Inspecteur.”

Zo snel mogelijk wordt wereldkundig gemaakt dat het ziekenhuis niet meer verantwoordelijk is voor haar psychiater Oudshoorn. “Zeer indiscreet” noemen collega-psychiaters het handelen van de raad. “Om die brief had ik niet gevraagd. Sterker: ik had die brief niet willen krijgen”, schrijft dr A. Lange, professor Klinische Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. Daarbij is de universiteit volgens hem helemaal geen 'relatie' van het ziekenhuis. Waarom moest zó een suggestief schrijven het hele land door, vraagt ook psychiater F. van Ree zich af.

20 januari. Het dagblad De Dordtenaar drukt een portretfoto van Oudshoorn op de voorpagina af. “Bij nader inzien delen wij de opvatting dat die illustratie beter achterwege had kunnen blijven”, aldus de redactie in een naschrift.

22 januari. Dirk Nicolaas Oudshoorn pleegt op 56-jarige leeftijd zelfmoord omdat hij geen uitweg meer ziet. 'Eer en schaamte' winnen het van de hoop op een rechtvaardig proces. “Dick was een diep religieus mens. Dick was een bezielde psychiater met veel liefde en geduld voor vertwijfelde jongeren”, schrijft zijn vrouw in de overlijdensadvertentie.

Collega's reageren furieus op de gang van zaken rondom de dood van hun vriend. De Raad van Toezicht krijgt het zwaar te verduren: zij zou onnodig haast hebben gemaakt, zij zou onnodig de publiciteit hebben gezocht en zij zou zich volslagen indiscreet hebben opgesteld. De collega's roemen zijn “onberispelijke praktijkoefening”. De meeste ergernis wekt de brief van de Raad van Toezicht waarin onomwonden de naam van de psychiater wordt vermeld. Zij eisen het aftreden van de voorzitter van de Raad van Toezicht.

Psychotherapeut K. van der Velden besluit zijn brief aldus: “Ik kan tot geen andere slotsom komen dan dat het nu tijd is dat u en uw collega's de 'eer aan zichzelf houden', en dus een excuusbrief schrijven aan de pers, aan de 'relaties' van het APZ, en vooral natuurlijk aan mevrouw Oudshoorn, en vervolgens gezamenlijk aftreden.” Van der Velden vindt ook de reden van de schorsing, een tè emotionele band, buitengewoon opgeklopt. “Als ik geen contact zou mogen hebben met (ex-)patiënten, dan kan ik de helft van mijn adressenboekje wel schrappen.”

Ook buiten de kring rond Oudshoorn, wekt de brief onbegrip. “Typisch Essink!”, zegt dr. M. Oosterlee, ex-directeur en psychiater van het Psychiatrisch Ziekenhuis Wolfheze in een eerste reactie op de dood van zijn collega Oudshoorn. “Een brief schrijven die meer wind dan wol is en die vervolgens naar buiten brengen. Dat herken ik: een geladen bericht lanceren zonder rekening te houden met de betrokkenen.” Zelf moest Oosterlee in 1986 “acuut opstappen” omdat hij volgens het bestuur, daarin geadviseerd door Essink als directeur van de vereniging waartoe Wolfheze behoorde, de her-organisatie en de bezuinigingen in het ziekenhuis niet goed zou begeleiden. “Een grondig onderzoek is er nooit gekomen. Essink heeft slechts monderling gerapporteerd en geadviseerd, hetgeen erin resulteerde dat hìj voorzitter van de directie Wolfheze zou worden. Dat kon ik niet accepteren.”

“Natuurlijk wordt Essink de rol van boeman toebedeeld. Maar het is zijn werk en logisch dat dat wel eens op problemen stuit”, zegt W. van Ewijk, directeur Behandelzaken van het psychiatrisch ziekenhuis Vogelenzang in Bennebroek. “Ik heb nog nooit iets naars met Essink meegemaakt. Hij is een goed bestuurder en of hij juist heeft gehandeld in het geval van Oudshoorn - tja, dat kunnen wij niet beoordelen.”

Essink laat de kritiek van de collega's van Oudshoorn over zich heen gaan. “Ik zou het allemaal gedaan hebben maar ik heb een Raad van Toezicht unaniem achter mij staan. En dat zijn acht mensen onder wie een rechter, een arts en twee wethouders. We hebben samen tot deze gang van zaken besloten.”

“Ik zou een beestmens zijn als ik geen spijt zou hebben van hoe het allemaal gelopen is, maar als men mij vraagt of ik mezelf iets verwijt: dan is het antwoord nee.” Essink kreeg vier brieven van mensen die zijn aftreden eisen. “Die heb ik beantwoord zonder verder op de zaak in te gaan want ik kan niet met de waarheid komen omdat ik met een aantal mensen rekening te houden heb.” Begin februari. Nieuwe informatie over psychiater Oudshoorn. De Vereniging van anorexia nervosa-patiënten uit heftige kritiek op de collega's van Oudshoorn. “Zij verklaren hem heilig en noemen zijn praktijkoefening onberispelijk, maar daar denken wij heel anders over”, zegt ir. I. Sieders uit Arnhem. In het verenigingsblad ANtenne waarschuwt de organisatie haar patiënten al sinds 1987 voor de jeugdpsychiater in APZ De Grote Rivieren in Dordrecht. Sieders: “Ouders wordt met klem afgeraden hun kind zelfs maar in genoemd ziekenhuis te laten onderzoeken.”

Sieders diende in 1989 samen met de ouders van een anorexia-patiënte, een klacht in bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg over de “opgedrongen behandelmethode” van Oudshoorn. Het toen zeventienjarige meisje zou tegen haar wil zijn opgenomen en er zou onzorgvuldig over haar zijn gerapporteerd. Ook zou Oudshoorn zonder enig overleg de Raad voor de Kinderbescherming hebben ingeschakeld. Oudshoorn werd op vier punten veroordeeld. Zijn nalatigheid leidde ertoe dat het College hem op 9 mei 1990 een waarschuwing gaf, de lichtste sanctie. Het College kan een waarschuwing, berisping, geldboete, schorsing of de ontzegging uit het beroep - in die volgorde - opleggen.

Een half jaar na die veroordeling kwam Remco voor zijn eerste behandeling bij jeugdpsychiater Oudshoorn. Deze behandeling zou uiteindelijk opnieuw leiden tot het inschakelen van de inspectie. Wisten het ziekenhuis of de inspectie dat hij zich in 1989 voor het Medisch Tuchtcollege heeft moeten verantwoorden? Essink: “Nee, dat wist noch de Raad van Toezicht noch het ziekenhuis.”

Regionaal inspecteur J. Lucieer: “De inspectie is op de hoogte van alle uitspraken van het Medisch Tuchtcollege maar aangezien het om een gesloten rechtsysteem gaat, zijn de meeste uitspraken niet openbaar. Een klein gedeelte, zo'n 5 procent, wordt gepubliceerd omdat het algemeen belang daarmee gediend is. In het algemeen is het zo dat alleen de klager en de aangeklaagde een afschrift krijgen van de uitspraak van het Medisch Tuchtcollege. Het is de Inspecteur niet toegestaan daar openheid van zaken over te geven. Het is aan de betrokkenen of ze de uitspraak naar buiten brengen. De aangeklaagde zwijgt meestal als het graf.”

Het onderzoek door de inspectie voor de gezondheidszorg, begin januari 1996, naar de “tè emotionele band” van psychiater Oudshoorn met Remco, is niet afgerond. Lucieer heeft dan ook geen officiële klacht ingediend bij het Medisch Tuchtcollege. “Er was een voorlopige conclusie en er heeft hoor en wederhoor plaatsgehad. Dat werpt nog wel eens nieuw licht op de zaak. Maar daar stopte het ergens - tot een formele eindconclusie zijn wij nooit gekomen.”

Zijn het ziekenhuis, de Riagg of de Raad te voortvarend geweest? Feit is dat Oudshoorn de relatie zelf al had beëindigd en zichzelf meteen na de klacht voor psychiatrische evaluatie had gemeld, die nog plaats zou vinden. Had de Raad van Toezicht hem niet tijdelijk met ziekteverlof kunnen sturen, in afwachting van het definitieve oordeel van de inspectie? Feit is dat met een publieke schorsing werd gekozen voor een maatregel waarvan het effect nooit meer ongedaan kon worden gemaakt. Dat zal Oudshoorn ook hebben begrepen.

De naam Remco is om reden van privacy gefingeerd. Het was niet mogelijk om met hem of zijn ouders te spreken. Het ziekenhuispersoneel moet over Oudshoorn zwijgen.

    • Margot Poll