Olievraat

JOE KANE: Kannibalen

320 blz., Atlas 1995, vertaling Tinke Davids (Savages), ƒ 49,90

De ecologische vernietiging die Shell in Nigeria teweegbrengt, en waarvoor Ken Saro-Wiwa met zijn leven betaalde, doet ook in andere delen van de wereld van zich spreken. Berucht zijn de periodieke rampen die de feodale olie-exploitatie in de voormalige Sovjet-Unie aanricht in de noordelijke permafrost-gebieden.

Het Amazone-woud verschilt in alle opzichten van die sombere vlaktes, behalve in de omstandigheid dat ook daar in een betrekkelijk isolement naar het zwarte goud geboord wordt.

In 1991 kreeg Joe Kane, een milieu-freak uit Washington, een brief in handen die de Huaorani-Indianen aan de Conoco-oliemaatschappij in de Verenigde Staten hadden geschreven.

Daarin werd de maatschappij gewaarschuwd voor verdere ontginning en openlegging van hun grondgebied in Ecuador, “want wij zullen ons verdedigen”.

Nieuwsgierig omdat niemand verder iets over de afzenders wist, ging Kane op verkenning. De volgende paar jaar bracht hij met onderzoek door in de Oriente, zoals de Amazoneprovincies in Ecuador kortweg worden genoemd, en met pleiten voor de Indiaanse zaak in Quito en Washington.

Van die tijd doet hij verslag in Kannibalen, een vreemde vertaling van het oorspronkelijke Savages.

Al na enkele pagina's blijkt de schrijver met dat 'savages' iedereen behalve de Indianen te bedoelen. Hoewel hij zijn bewondering met een luchtige toon en veel grappen probeert te relativeren, staat hij onomwonden achter de harde kern van zo'n 1200 Huaorani's die zich de bemoeienissen van de oliemaatschappijen Conoco en Texaco van het lijf proberen te houden.

En wie de beschrijvingen leest van de smerigheid die de pijpleidingen hebben uitgestort over mensen, dieren en plantenwereld op hun weg door de jungle, twijfelt niet aan de toepasselijkheid van de titel: de komst van de olieboorders kondigt de barbarij aan. Hoeveel goedwillende ecologen, antropologen, juristen en politici ook voor de belangen van het oerwoud en de Indianen opkomen, de feitelijke vervuiling en verzieking van die kwetsbare gemeenschappen kent geen grenzen. De schetsen van de vunze plaatsjes vol armoe en geweld die uit de modder verrijzen, de krantelezer kent ze van elders; allerminst uniek, de stank van de rivieren vol dood en verderf die een paar jaar geleden nog de levensader van jagers en verzamelaars vormden. Ook de stroom van leugens en intimidaties waarop de 'companies' de Indianen en hun zaakwaarnemers trakteren zijn geen verrassing. De jolige toon van de schrijver kan alleen bedoeld zijn om de moed er in te houden.

Behalve de gewilde humor heeft de verkondiging van een boodschap die de meeste mensen maar niet willen horen ook nog een andere prijs: de Indianen komen er te idyllisch van af, zeker als het om het leven gaat dat zij verondersteld werden te leiden vóór de komst van de prospectors. Kane is geen volkenkundige, en blijkens zijn bibliografie ook niet goed thuis in de Amazone-antropologie.

Dat is misschien de reden van zijn herhaalde lofzang op de paradijselijke staat waarin de Indianen vroeger verkeerden. Endemische vendetta's, chronische ondervoeding en tropische ziekten zijn de tol die jagers en verzamelaars voor hun vrijheid betalen. Die bedreigingen komen in Kane's relaas soms ter sprake, maar moeten het altijd afleggen tegen de nieuwe plagen. Uit het perspectief van de activist is dat terecht. Vanzelf rijst dan de vraag naar de bestaanbaarheid van iets als een Indianen-reservaat, van vreemde smetten vrij. Het voorbeeld van een dergelijke quarantaine in het boek kan maar moeilijk overtuigen.

Kane bewaart een kritische afstand tot de meute van wetenschappelijke en politieke experts die slag levert om het prestige en geld dat aan de 'redding van het oerwoud' verbonden is. Hij heeft daarentegen wel enig begrip voor de verleidingen waaraan de Indianen in die strijd om de gunst bloot staan. Maar of ze zich nu verdedigen dan wel laten afkopen, de vernietiging van hun oorspronkelijk milieu door de olievraat nadert een 'point of no return'. Die wetenschap schenkt Kane de moed der wanhoop.