'Nu Utopia niet haalbaar is, voelen we ons bedrogen'; Robert J. Samuelson over het pessimistische Amerika

ROBERT J. SAMUELSON: The Good Life and its Discontents. The American Dream in the Age of Entitlement 1945-1995

293 blz., Times Books 1995, ƒ 50,50

De diagnose is somber, maar niet hopeloos. Het spreekwoordelijke Amerikaanse optimisme, de grondstof van The American Dream, dreigt het af te leggen tegen wijdverbreid wantrouwen, cynisme en een zwarte kijk op de toekomst. Sociologen, politici, journalisten en opiniepeilers bevestigen het vrijwel dagelijks: Amerika verliest zijn zelfvertrouwen. En ook individuele Amerikanen erkennen het gevraagd of ongevraagd: het land gaat naar de knoppen, de politici en de overheid zijn niet meer te vertrouwen en met de economie gaat het al jaren bergafwaarts.

Die permanente staat van somberheid waar een groot deel van de Amerikaanse publieke opinie zich in wentelt, heeft iets ongerijmds - en niet alleen voor de rest van de wereld die nog altijd met afgunst naar Amerika opkijkt. Ook Amerikanen die om zich heen kijken kunnen zien dat hun samenleving weliswaar nog veel gebreken vertoont, maar er toch onmiskenbaar beter voorstaat dan pakweg twintig, dertig jaar geleden.

“Hoe komt het dat een samenleving die de meeste mensen bevalt”, zegt Robert J. Samuelson, “ons er toch van overtuigd heeft dat zij onverbiddelijk op de afgrond afstevent? Hoe verklaar je dat een maatschappij die de afgelopen vijftig jaar zo succesvol is geweest, toch zo pessimistisch is over haar vooruitzichten?”

Samuelson (50) is columnist voor Newsweek en The Washington Post, en auteur van het pas verschenen boek The Good Life and its Discontents. In die scherpe analyse van het Amerikaanse gemoed laat Samuelson (niet te verwarren met de econoom en Nobel-prijswinnaar Paul Samuelson) zien waarom het goede leven dat de meeste Amerikanen leiden hen niet verhindert een groot ongenoegen te koesteren. Hij noemt het in zijn boek “de naoorlogse paradox”. “Amerikanen hebben een ongekend niveau van materiële welstand en persoonlijke vrijheid bereikt. We zijn gezonder, werken in minder slopende banen, leven langer dan ooit in onze geschiedenis. De arbeidszekerheid is enorm toegenomen en de overheid zorgt voor een vangnet voor de armen, zieken en ouderen dat nooit eerder heeft bestaan. Veel oude vormen van discriminatie - op grond van ras, geslacht of geloof - zijn dramatisch afgenomen, ook al zijn ze niet helemaal verdwenen. Kortom, Amerika is vandaag de dag een samenleving die veel rijker is en meer mededogen kent dan vijftig jaar geleden.”

En toch is de tijdgeest humeurig, om niet te zeggen gedeprimeerd. Gevoelens van onvrede bepalen het collectieve bewustzijn. Of, zoals president Clinton kortgeleden uitdrukte: “Er is een diepgaand verlies van vertrouwen in het land, niet alleen in de politieke instellingen, maar ook in de manier waarop Amerikanen tegenover elkaar staan.”

Ontbijt

Op maandagochtend om acht uur is het uitgestorven in de Washingtonse redactielokalen van Newsweek. Aan de muren hangen overal oude nummers van het weekblad, met op de omslagen portretten van voormalige presidenten en presidentskandidaten. Nixon, Ford, Carter, Reagan, McGovern, Muskie en Mondale - de laatste met de kop: Can anyone stop Fritz? In hun tijd belichaamden ze ongetwijfeld voor veel Amerikanen ieder op hun manier de hoop op betere tijden, maar nu zien ze er vergeeld en afgedankt uit. Op een werktafel maakt Samuelson plaats voor zijn ontbijt van koffie met chocolade-donuts.

“Ik geloof dat Amerikanen, van nature een optimistisch volk, hun optimisme niet helemaal hebben verloren. Voor zichzelf geloven ze nog wel dat ze veel voor elkaar kunnen krijgen. Maar als je hen vraagt naar hun gevoelens over de maatschappij als geheel, dan blijken ze gedesillusioneerd. Niet meer dan 23 procent gelooft dat de volgende generatie het beter zal hebben dan de huidige. En meer dan de helft van de mensen gelooft dat de vorige generatie het beter had - en dat klopt absoluut niet.”

Het algemene pessimisme gaat gepaard met toenemend wantrouwen tegenover de overheid en de politiek. Drie van de vier Amerikanen vertrouwen er niet meer op dat de federale overheid doet wat goed is voor het land. Het overheidsapparaat wordt gezien als een probleem dat handen vol geld verslindt, en niet als instrument om de maatschappij goed te laten functioneren. Men is ervan overtuigd dat het aantal federale ambtenaren maar blijft groeien, ook al neemt het in feite af. En minder dan een kwart van de bevolking gelooft dat de uitkeringen die de staat aan ouderen verstrekt, de armoede onder bejaarden hebben verminderd. Een derde gelooft zelfs dat die uitkeringen averechts hebben gewerkt.

Samuelson verklaart de somberheid en het cynisme uit de overspannen verwachtingen die in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog gemeengoed waren - verwachtingen die met geen mogelijkheid ingelost konden worden en daardoor wel moesten leiden tot bittere teleurstelling.

“De crisisjaren waren een beproeving geweest, die nooit voorbij leek te gaan. Economische zorgen waren allesoverheersend. Na de Tweede Wereldoorlog verwachtte men een nieuwe depressie, maar in plaats daarvan kregen we een fenomenale voorspoed. Dat was een heel ingrijpende ervaring. We hadden de oorlog gewonnen en de economische moeilijkheden bleken oplosbaar. Het zou nu alleen nog maar een kwestie van tijd zijn voor alle andere maatschappelijke problemen waren opgelost.”

Terwijl Samuelson koortsachtig begint te bladeren in zijn boek, zegt hij: “Dat is ook het verhaal van mijn leven.” En hij leest voor: “Als je opgroeide in de jaren vijftig, zoals ik, dan was je dagelijks getuige van de wonderen van de welvaart. Thuis keek je televisie. Op school werd je ingeënt tegen polio, tot dan toe een gevreesde ziekte. Buiten kon je als je naar boven keek soms de witte strepen zien van een nieuw vliegtuig. De auto's werden al maar groter, mooier en krachtiger. Kernenergie leek een onuitputtelijke bron van goedkope energie te zijn.”

Vrijwel iedereen, zegt Samuelson terwijl hij zijn boek dichtklapt, was onder de indruk van die enorme voorspoed. “We geloofden niet zomaar in de vooruitgang. We dachten dat we alle problemen voor altijd konden oplossen: van economische recessie tot racisme, misdaad en ziekte. Groei van de welvaart was het middel waarmee we de gebreken van de maatschappij konden verhelpen. Maar het bleek toch ingewikkelder te liggen.

“We denken dat we geen utopisten of romantici zijn, maar we zijn het wel. We leefden in The American Dream, maar het werd steeds meer The American Fantasy, het Amerikaanse luchtkasteel. We verloren uit het oog wat haalbaar was en begonnen te geloven dat we aanspraak konden maken op een leven zonder onzekerheden en tegenspoed. Maar de werkelijkheid is anders. En toen dat begon te dagen, kwam het als een koude douche.”

Elk somber economisch bericht wordt nu gezien als bewijs dat het land op de verkeerde weg is: Een aankondiging van ontslagen bij weer een bedrijf, het uitblijven van substantiële inkomensverbetering voor veel werknemers of de sluiting van ondernemingen.

Happy ending

“En toch staat de Amerikaanse maatschappij er helemaal niet zo slecht voor als we denken. Alleen voor sommige problemen hebben we nu eenmaal geen oplossing. Niet alle verhalen hebben een happy ending. We zouden moeten erkennen dat omstandigheden slechter of beter kunnen worden, zonder tot een uiteindelijke oplossing te leiden. Maar we zijn de illusie gaan koesteren dat we het onmogelijke konden doen. We dachten voortaan te kunnen rekenen op een constante economische groei. Het is wat de historicus Richard Hofstadter noemt ons 'absolutistisch enthousiasme'. We wilden de economische cycli volledig uitbannen, zoals we ook corruptie in de bedrijfsleven totaal dachten te kunnen beëindigen, of het alcoholisme, het politieke opportunisme en het gevaar van een aanval met intercontinentale raketten. Maar als je het onmogelijke blijft nastreven, dan zal je uiteindelijk altijd gefrustreerd raken. Nu we er achter zijn gekomen dat Utopia niet haalbaar is, dat economische groei niet alleen winnaars oplevert maar ook verliezers, voelen we ons bedrogen en gaan we op zoek naar een zondebok.”

Die zondebok is 'Washington' - de federale overheid, al haar instellingen en de politiek. De diepe afkeer waarmee veel Amerikanen over hun politieke leiders spreken, zou bijna doen vergeten dat ze hen zelf in democratische verkiezingen hebben verkozen, en ook weer kunnen wegsturen. Maar dat mechanisme is zoals bekend geen garantie voor een tevreden kiezersvolk. Had in 1966 nog 42 procent van de Amerikanen vertrouwen in het Congres, in 1994 was dat nog maar acht procent.

Amerikanen haten de overheid, zegt Samuelson, juist omdat ze er zo afhankelijk van zijn. “Amerikanen geloven niet dat ze in een verzorgingsstaat leven. Ze denken dat de mensen in de bijstand die arme alleenstaande moeders zijn, die geen kinderen zouden moeten krijgen zonder man. Maar de verzorgingsstaat ondersteunt niet alleen de armen, maar ook de middenklasse. De overheidsuitgaven zijn zo hoog vanwege de uitkeringen aan ouderen, waarvan iedereen vindt dat hij er recht op heeft. Als de rentebetaling op de staatsschuld buiten beschouwing wordt gelaten, gaat tweederde van de begroting op aan uitkeringen. Meer dan de helft van alle gezinnen profiteert daarvan. Dat is de Amerikaanse schizofrenie: de mensen hebben de pest aan een omvangrijke overheid, maar ze zijn gehecht aan wat die overheid voor hen doet.”

Gouden bergen

Het is een contradictie die men niet gaag onder ogen ziet, zegt Samuelson, laat staan wil oplossen. “Anders zouden we òf meer waardering hebben voor de overheid, òf bereid moeten zijn een aantal van die verworven rechten op te geven. De politiek zou dat duidelijk moeten maken.” En zolang dat niet gebeurt, meent Samuelson, zullen de Amerikanen voortdurend gefrustreerd blijven.

“President Clinton wil bijvoorbeeld maar één ding: toegeven aan de wensen van de kiezers, zowel aan het verlangen naar subsidies en uitkeringen, als aan de roep om een kleinere en goedkopere overheid. Zijn filosofie is dat er helemaal geen moeilijke keuzes zijn, als we maar op hèm stemmen. De Republikeinen hebben een poging gedaan het land uit zijn droom wakker te schudden. Maar hun Contract met Amerika bevatte ook veel contradicties. Ze zouden de belastingen verlagen, de begroting kloppend maken, ze zouden niet bezuinigen op de ouderdomsuitkeringen en ze zouden meer geld uittrekken voor defensie - ook al kan dat met geen mogelijkheid allemaal tegelijk. Ze zijn dan ook verstrikt geraakt in hun eigen tegenspraken. En ook Steve Forbes, die nu hoge ogen gooit met zijn plan voor een uniform belastingtarief, maakt zich schuldig aan de klassieke politiek van gouden bergen beloven. Zijn bewering dat zijn belastingsysteem tot een enorme economische opleving zal leiden, is volkomen onverantwoordelijk.”

De overdreven verwachtingen van de decennia na de oorlog waren even onrealistisch als de spiraal van cynisme waar Amerika de afgelopen jaren in terecht is gekomen, zegt Samuelson. Het realisme waar hij voor pleit erkent dat een zekere wanorde en onzekerheid de kern vormen van een markteconomie. Dat de twee belangrijkste zaken die Amerikanen van hun economie verwachten - een toename van hun inkomen en een afname van de maatschappelijke onzekerheid - op gespannen voet met elkaar staan. En dat het beste middel tegen een grote en ontwrichtende instabiliteit een voortdurende, bescheiden instabiliteit is.

“Het zou natuurlijk mooi zijn als er nooit bedrijven failliet gingen, en nooit mensen ontslagen zouden worden. Maar zo werkt ons systeem niet. In een markteconomie kan de staat al die onaangename veranderingen hoogstens tijdelijk ophouden. Ik wil niet zeggen dat de overheid zich volledig passief en fatalistisch moet opstellen. Maar wel dat ze alleen haalbare doelstellingen moet kiezen, anders is de onzekerheid op den duur veel groter. Ik geloof in een verzekering tegen werkloosheid, in een sociaal vangnet, in regels die het makkelijker maken voor mensen die hun baan kwijtraken om hun ziektekostenverzekering te behouden. Maar niet in het blijven verstrekken van uitkeringen aan ouderen die dat niet nodig hebben. Het gevaar is alleen dat een politicus die dat soort dingen aan de orde stelt, overkomt als harteloos.”

Hoewel Samuelson niet verwacht dat zijn land zich op korte termijn zal kunnen bevrijden van het gevoel van desoriëntatie en verongelijktheid, gelooft hij toch in de kracht de Amerikaanse samenleving. “Amerikanen klagen veel, en dat hebben ze altijd gedaan. Maar zelfs als het vertrouwen in de overheid, de politiek en andere maatschappelijke instellingen volkomen inzakt, hoeft dat nog niet zijn weerslag te hebben op de rest van de maatschappij. De overheid is in dit land wel belangrijk, maar er zijn zoveel andere bronnen van maatschappelijke kracht. Dit is een gedecentraliseerde samenleving, niet alleen in structuur, maar ook in de geest. De mensen proberen altijd nog dingen voor zichzelf voor elkaar te krijgen, en op een lokaal niveau de problemen aan te pakken.”

    • Juurd Eijsvoogel