Milieubeschermers jagen op de verkeerde persoon

De man had drie hazen gestroopt en werd door de kantonrechter - zelf een verwoed jager - tot een vrijheidsstraf van één maand veroordeeld. Hij ging in hoger beroep, want hij vond de straf buitensporig hoog. Nu stond de man in jagerskringen bekend als een beroepsstroper. Niettemin had hij een blanco strafblad, omdat men hem nooit had kunnen betrappen. Hij ontkende dat hij vaker had gestroopt, nou ja, misschien af en toe een haasje. De rechtbank beoordeelde hem als first offender en veroordeelde hem daarom tot een geldboete van driehonderd gulden, honderd gulden per haas. Het vonnis viel niet goed bij de locale krant, en de jachtgerechtigde was woedend. Hij schreef de rechtbank een boze brief die eindigde met de exclamatie: “En wie vergoedt mij nu mijn hazen!”

In het gesprek dat ik naar aanleiding van zijn brief met hem had, hebben wij over koetjes en kalfjes en natuurlijk ook over hazen gesproken. Toen kwam een vraag naar voren, die mij nog vaak heeft bezig gehouden. Die vraag luidt: Wat vindt u erger: het stropen van een haas of de diefstal van een diepvrieskip bij Albert Heijn ? Het is een vraag die de conversatie aan elk wild-diner een nieuwe impuls kan geven. Sommigen zullen zeggen, dat zo'n haasje toch eigenlijk van niemand is en dat het voor het beest niet zoveel uitmaakt of het nu bij de stroper of bij de jager op tafel verschijnt. Anderen zullen er op wijzen, dat men natuurlijk niet mag stelen, maar dat Albert Heijn bij zijn prijscalculatie met een zeker percentage winkeldiefstal rekening houdt, zodat er geen of nauwelijks aanwijsbare schade door de diefstal wordt veroorzaakt.

Maar als zich onder de disgenoten zowel jagers als milieubeschermers bevinden dan zal de discussie veel dieper gaan. Dan blijkt dat het niet alleen gaat om een botsing van belangen, maar ook, en misschien zelfs in de eerste plaats, om een botsing van culturen, die elkaar in de verste verte niet verstaan en elkaar niet anders dan met grote moeite kunnen bereiken. De bedreiging van het milieu door de activiteiten van de mens heeft pas na de tweede wereldoorlog in brede kring aandacht gekregen. De milieubeweging in de meest ruime zin van het woord is een jonge en moderne beweging, die met uiteenlopende middelen en vaak op assertieve en soms zelfs agressieve wijze aandacht voor haar doelstellingen vraagt van burgers, overheden en bedrijfsleven. Dat men daarbij zijn doel een enkele keer voorbij schiet is onvermijdelijk. Het grote doel, dat de mens als rentmeester van de aarde verantwoordelijkheid draagt voor haar voortbestaan, heiligt heel veel middelen.

Ook de voorstanders van de jacht beroepen zich op het rentmeesterschap van de aarde. De jacht onderscheidt zich van de milieubeweging allereerst door een oeroude traditie. In de oudste tijden voorzag men door middel van de jacht in zijn behoefte aan vlees, kleding, beschutting en nieuwe werktuigen. En daar kwamen nog twee belangrijke factoren bij. Ten eerste was de jacht de best denkbare voorbereiding op het krijgsbedrijf en ten tweede speelde en speelt ook thans nog de jacht in op een bij de mens bestaande passie, te vergelijken met de passie voor de sportvisserij. Door haar relatief eenvoudige hulpmiddelen kon de sportvisserij zich ontwikkelen tot een volkssport.

De jacht, niet denkbaar zonder paarden en grondbezit, moest zich wel ontwikkelen via de aanzienlijken der aarde. Zo zijn ook de banden tussen het Huis van Oranje en de jacht van heel oude datum. Het oudst bekende document daaromtrent is een brief uit 1562 van Frederik II, koning van Denemarken(1534-1588) aan Willem van Oranje, waarin deze refereert aan hun kennismaking in Frankfurt en waarin hij meedeelt, aan zijn koerier Johan van Dinklage twaalf geervalken mee te geven, bestemd voor Willem vanwege diens liefde voor het adeliche Weidwerk. Dat er op het Loo al generaties lang wordt gejaagd is niet zo verwonderlijk wanneer men bedenkt dat het paleis door de bouwmeester Jacob Roman (1640-1716) als Jachtslot is gebouwd.

In de moderne tijd is er in de beleving van het jachtgenot wel iets veranderd. Dat is in de eerste plaats het gevolg van de invoering van het begrip 'weidelijkheid'. Voor zover mij bekend is dit fair-play beginsel in de jacht geïntroduceerd door Frank Forester (pseudoniem van Henry William Herbert) in een drietal boeken over de jacht uit het midden van de negentiende eeuw. In de tweede plaats zijn er grote belangen van de landbouw betrokken bij de jacht. Die belangen eisen - aldus de Memorie van Toelichting op de Jachtwet - dat niet door de aanwezigheid van een overmatige wildstand nadeel aan de landbouwgewassen wordt toegebracht. En de jacht draagt ten slotte ook bij aan het behoud van een gezonde wildstand en het behoud van natuurlijke woongebieden voor het wild. De gedachte dat bij een algeheel jachtverbod een natuurlijk evenwicht in de wildstand zou ontstaan is in de praktijk onjuist gebleken. In gebieden waar de jacht verboden was traden degeneratie-verschijnselen bij de dieren op en zorgden sterk schommelende populaties voor een verstoring van het gehoopte evenwicht. Dit alles betekent natuurlijk niet, dat bij de jacht geen grote fouten worden gemaakt.

Mij dunkt dat de tijd rijp is voor een verbetering van de communicatie tussen jagers en milieubeschermers tot voordeel van beiden. Een advertentie in de dagbladen met een oproep aan de Prins van Oranje de jacht te staken moge wellicht gunstig zijn voor de uitbreiding van het leden- en donateursbestand van de betrokken milieuvereniging, zo'n advertentie vormt geen enkele bijdrage aan het bijeenbrengen van de belangen waar zowel de jacht als de milieubewe-ging zich sterk voor maken. Communicatie is een moeilijk begrip. De oudste mij bekende definitie van communicatie luidt: 'zo dicht mogelijk langs elkaar heen praten'. En dat is wat men al vele jaren tot mijn grote spijt lijkt te doen. Daarom heb ik, hoewel ik grote sympathie voor de mileubeweging koester, toch niet kunnen besluiten om de Prins van Oranje een fax te sturen. Ik vond en vind het een verkeerd gebaar, gericht aan de verkeerde persoon. Daar kunnen goede bedoelingen niets aan veranderen.

    • B.J. Asscher