Mensenals de heer Schmier

Zijn naam valt op in de index van het zojuist verschenen naslagwerk Annalen van de Operagezelschappen in Nederland 1886-1995, want met meer dan tachtig pagina-verwijzingen moet hij een van de bedrijvigste operazangers van het land zijn geweest. Zijn faam dateert van honderd jaar geleden; hij stond in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw in produkties van het Hollandsch Opera-Gezelschap, de Nederlandsche Opera en de Nederlandsche Opera-Vereeniging en wordt bovendien vermeld als vertaler van diverse zangspelletjes die allemaal allang vergeten zijn. Net als hij zelf, want wie weet nog wie Johan Schmier was?

Een strooibiljet in de archieven van het Theater Instituut Nederland toont de markante gelaatstrekken van een witgekuifd heertje in rokkostuum, dat zichzelf aanprijst als “zanger, bassist, dichter, odeïst, komponist, klavierist, zangleeraar en voordrachthouder”. Het moet uit zijn latere jaren stammen, want na de eeuwwisseling was er in Nederland jarenlang geen geregeld emplooi voor operazangers meer. Terwijl veel van zijn collega's goede engagementen in het buitenland hadden gekregen, leidde Schmier toen een ambulant bestaan. Maar hij hield het hoofd energiek, taai en levenslustig boven water, schreef de publicist Otto Knaap in 1906 in de Telegraaf. “Ik hou van menschen als de heer Schmier. Omdat hij nooit verlegen, nooit geslagen is in den strijd om het bestaan. Omdat hij nooit klaagt en zich door ongunstige omstandigheden niet uit het veld laat slaan.”

Met verve verzorgde Schmier in die tijd muzikale soirées, waarbij hij volgens Knaap 'aria's uit opera's en dingsigheidjes van eigen schepping' ten gehore bracht. Vooral de luimige nummers oogstten bijval, zoals het door hem getoonzette Schoolmeester-gedicht De Leeuw en een als 'onsterfelijk' omschreven Ode aan de snert. Vijftien jaar lang was hij pad. Zijn laatste engagementen vonden plaats in forten en op grensposten van het gemobiliseerde Nederlandse leger. Aan zijn graf sprak een vriend dan ook: “Moede pelgrim, rust zacht!”

Hyginus Johannus Jacobus Gerardus Schmier (1852-1915) debuteerde in zijn geboorteplaats Leiden als kerkzanger en studeerde vervolgens kerkelijke muziek aan het seminarie te Katwijk. Zijn hart trok echter naar de opera. “Vooral in de uitbeelding van humoristische partijen blonk hij uit”, schreef het artiestenvakblad De Komeet bij zijn dood. “Humor was de grondtrek van zijn karakter, een eigenaardige, zeer persoonlijke humor.” En een jaar later schreef de gevierde tenor J.M. Orelio in zijn boek M'n Gedenkschriften: “De prachtkerel Johan Schmier had 'n onuitputtelijken rijkdom van humor tot z'n beschikking.”

Zo herinnerde Orelio zich hoe hij 'jaren geleden' met een operagezelschapje de kermissen afreisde - een zomerse vorm van broodwinning die ook in het toneelwezen gebruikelijk was - en daar onder meer de Hamlet van Ambroise Thomas ten tonele voerde. Orelio was Hamlet en Schmier zong de Claudius-rol. Op een avond, op de kermis van Leeuwarden, waren de sorties op, de kaartjes die het publiek na de in de buitenlucht doorgebrachte pauze weer toegang tot de tent gaven. Schmier wist raad; hij haalde zijn persoonlijke stempeltje met blauwe inkt uit zijn broekzak en plaatste dat op alle voorhoofden. Zo zag men na de pauze in de zaal honderd bezoekers zitten met het cirkelvormige stempel Johan Schmier, 1e Bas Hollandsche Opera, Amsterdam op het voorhoofd. “Na acht dagen”, aldus Orelio, “waren de slachtoffers hun tronies nog aan 't bewerken met puimsteen.”

Ook op het toneel wist Johan Schmier zijn collega's menigmaal aan het lachen te maken. In de necrologie in De Komeet staat dat hij tijdens een engagement bij het Antwerpsch Lyrisch Tooneel, in 1899, een weddenschap sloot om in een uitvoering van Figaro's Bruiloft een brandende lamp uit te zingen. Het lukte, maar de volgende avond opende hij vergeefs zijn mond; er kwam, ten gevolge van “zijn ongeëvenaarden krachttoer”, geen geluid meer uit. Daarop brachten de andere zangers hem een ovatie.

Dit alles brengt ontegenzeggelijk het werkwoord schmieren in herinnering, waarmee doorgaans het spel wordt aangeduid van acteurs die zich schuldig maken aan overdreven kluchtig of overdadig bombastisch spel. De vraag dringt zich op of Johan Schmier daarvan wellicht de naamgever is geweest. Maar dat was hij niet. Het woord blijkt al sinds het midden van de negentiende eeuw in Duitsland in zwang te zijn voor rondreizende toneelgroepjes van bedenkelijk allooi (Schmiere-troepjes) en is eenvoudigweg afgeleid van de letterlijke betekenis van schmieren: het er vet op smeren, dik insmeren. Daarnaar verwees ook Otto Knaap in zijn van bewondering overlopende Telegraaf-artikel: “Is er een betere, een geschiktere, een meer symbolieke naam denkbaar voor een bohémien van Hollands vocaal-dramatische wereldje? Schmier... je kunt dien naam zoo gesmeerd uitspreken.”

Maar als toen, in 1906, die depreciërende betekenis al tot Nederland was doorgedrongen, zou de dwepende scribent dit natuurlijk nooit hebben geschreven. In de Nederlandse woordenboeken is schmieren dan ook pas vanaf 1921 te vinden als “(rondreizende) troep toneelspelers van minderen rang”. En bovendien heeft het woord hier sindsdien nog een bijkomende betekenis: elkaar op het toneel aan het lachen maken zonder dat de zaal begrijpt wat er aan de hand is en kan méélachen. Precies zoals Johan Schmier destijds een weddenschap aanging over het uitblazen van een kaars tijdens het zingen.

Daarom is toch aannemelijk dat 's mans optreden heeft bijgedragen tot de Nederlandse acceptatie van het Duitse woord. Hij had het eens moeten weten, de man die om zijn ondernemingszin door Knaap ten voorbeeld werd gesteld aan alle zangers die door het ontbreken van Nederlands emplooi tot passiviteit vervielen: “Spiegelt u aan Johan Schmier. Wachten, waarlijk, helpt geen zier.”