Meisjes 'ploegen'

In 'Het misverstand van de makkelijke meisjes' (Z 10 febr.) schrijft Wubby Luyendijk dat verkrachting door groepen jongens tamelijk veel voorkomt. Vooral allochtone jongens zouden zich door de mate waarin seks en porno nu op straat ligt, gemakkelijk aan niet-allochtone meisjes vergrijpen. Ze verstaan nauwelijks nog de signalen van deze meisjes, die niet gediend zijn van deze vorm van jongensseks, ook al hebben ze in een onbewaakt ogenblik te kennen gegeven dat ze wel al seksuele ervaring hebben en er wat losser tegenover staan.

Het gaat om een verschijnsel dat volgens de opgevoerde hulpverleners cultureel bepaald is. Voor jonge jongens in sommige culturen is die vrijere seksualiteit blijkbaar voldoende reden om het met de gevoelens van deze meisjes niet zo nauw te nemen. Het artikel is afgewogen, voert hulpverleners op die over veel ervaring met deze jongens beschikken en laat een expert inzake de seksuele mores van minderheden aan het woord. Maar de term cultuur wordt door de hulpverleners, vooral ook door de jongens zelf nogal lichtvaardig gebruikt. Vervolgens word cultuur als excuus opgevoerd. Tenslotte wordt er gesuggereerd dat de jongens vanuit hun cultuur niet aanvoelen dat er met hun gedrag iets mis is.

De suggestie wordt gewekt dat deze jongens weten dat hun cultuur hen lijkt te hebben toegerust met grote seksuele voortvarendheid jegens niet-allochtone meisjes als middel voor mannen om hun mannelijke kracht te bewijzen. Hulpverleners vermoeden dat deze jongens ervan uitgaan dat meisjes die eenmaal als slecht te boek staan, verkracht mogen worden. Naar hun zeggen legt seksuele fijngevoeligheid het af tegen mannelijke rolpatronen, waarin een verwrongen vrouwbeeld, machtsuitoefening en conformisme aan de groep de boventoon voeren.

Meisjes die niet tot de allochtone cultuur behoren, zijn van onbreekbaar plastic, vrij voor seksuele experimenten, terwijl de meisjes uit de eigen cultuur van porselein zijn. Daar mag niet mee geëxperimenteerd worden. Hulpverleners bleken dit allemaal van de jongens te leren. Deze jongens blijken dus heel goed te weten wat de cultuur hun allemaal voorschrijft en toestaat. Cultuur laat hen hier blijkbaar van alles doen conform de eertijdse lokale normen en waarden. Wat deze jongens over hun cultuur vertellen laat zien hoe vertouwd ze al zijn met het routineuze en coulante, relativistische waarden- en normenjargon alhier. Deze jongens weten blijkbaar heel goed wat de hulpverlener graag wil horen. Maar cultuur is niet een of andere mysterieuze kracht, die in het bewustzijn van deze jongens gegeven is en hen doet beseffen wat hen drijft. Bij deze jongens gaat het om ingesleten culturele praktijken. Die zijn onder andere omstandigheden dan voor Nederlanders zelf gelden, ontstaan. Hoe 'cultuur' dit soort gedrag bewerkstelligt, moet gewoon worden uitgezocht in plaats van simpelweg als gegeven te worden geaccepteerd. Het is verleidelijk cultuur te benoemen in termen van andere mores die recht kunnen maken wat krom is, omdat het nu eenmaal om een andere cultuur gaat. Als hulpverleners zich verbazen over het gemak waarmee deze jongens meisjes 'ploegen', is een verklaring in termen van culturele imperatieven wel het laatste wat men moet doen.

Als cultuur inderdaad werkt zoals in dit artikel wordt gesuggereerd, moet er even voortvarend wat aangedaan worden als aan een epidemie. Een eerste stap zou kunnen zijn niet langer te accepteren dat cultuur een excuus is. In een situatie van acculturatie worden tal van vanzelfsprekende gedragspatronen voorzien van alternatieven. Die staan op gespannen voet met reeds bestaande automatische wijzen van reageren. Dat is overal het geval waar mensen in twee werelden leven. Maar die oorspronkelijke cultuur is geen mysterieuze kracht, waarachter acculturatieproblemen kunnen worden weggestopt. Wat deze jongens aan gedrag tonen vraagt om een nuchtere verklaring in termen van hinderlijke machts- en sekseverhoudingen, onaanvaardbare gevoelens van mannelijkheid, ongeoorloofde toeëigening door de bazige groepsgenoten van gewillige medestanders en slordige correctie door ouderen en leiders van de gemeenschap, waartoe deze jongens behoren. Ze beledigen daarmee hun cultuur van herkomst.

Het artikel wekt de suggestie als zouden deze jongens niet weten dat ze over de schreef gaan. Hun moreel kompas is dol. Ze zouden niets merken van de tegenstribbelende meisjes, omdat ze over andere normen en waarden beschikken. Hun ouders zouden zelfs geen besef hebben van wat de kinderen hier aanrichten, omdat mannelijkheid nu eenmaal gepraktiseerd mag worden met meisjes die in hun ogen niet deugen. Dit is een onderschatting van wat in elke cultuur geldt: de integriteit van het menselijk lichaam. Zouden we hier echt te maken hebben met een geïnstitutionaliseerde vorm van sadisme, uitgeoefend in de veilige omgeving van de groep? En niemand zou beseffen dat dit niet kan? Het wekt verbazing bij de hulpverleners dat bij deze jongens geen persoonlijkheidsstoornis wordt gevonden. In plaats daarvan vinden ze een soort algemene instemming bij kinderen en ouders met van huis uit aangeleerde gedragspatronen. Zou het niet verstandiger zijn die instemming als de bliksem te onderzoeken, even precies en even doorwrocht als welke persoonlijkheidsstoornis ook?

    • Paul Voestermans Nijmegen