Kombrink vreest dat bedrijven Rotterdam mijden

ROTTERDAM, 17 FEBR. De Rotterdamse wethouder Hans Kombrink ziet met lede ogen aan hoe bedrijven zich liever vestigen in Brabant of Gelderland dan in de buurt van de Rotterdamse haven. Hij wil er alles aan doen om een eind te maken aan de tendens dat bedrijven die een nauwe relatie hebben met het Rotterdamse havengebied zich op grote afstand van Rotterdam vestigen.

Kombrink vindt dat bij Rotterdam nieuwe bedrijfsterreinen moeten komen om de concurrentie te kunnen aangaan met steden als Breda, Tilburg, Eindhoven, Arnhem, Nijmegen, Tiel en Gorinchem. Die plaatsen weten veel meer dan Rotterdam bedrijven aan te trekken in de sectoren transport, assemblage, distributie, reparatie en andere dienstverlening. Deze bedrijven beginnen nieuwe vestigingen op terreinen buiten de Randstad, hoewel de Randstad wel een belangrijk afzetgebied voor hen vormt.

Rotterdam heeft voor deze bedrijven, die zich bij voorkeur op terreinen in de buurt van snelwegen vestigen, vrijwel geen ruimte meer beschikbaar. Volgens Kombrink, die als wethouder de portefeuille ruimtelijke ordening beheert, is in het verleden de terreinbehoefte van haven-afgeleide bedrijven onderschat. Rotterdam kan zich niet permitteren de bedrijven naar Brabant en Gelderland te zien uitwijken. De overslag in de Rotterdamse haven ontwikkelt zich weliswaar normaal, maar in andere economische sectoren is sprake van stagnatie of teruggang. Van 1992 tot 1994 steeg de werkloosheid in Rotterdam van 11,6 tot 16,6 procent. De verhouding van vertrekkende arbeidsplaatsen tegenover binnenkomende banen is 10:3.

Om verandering te brengen in die situatie heeft Kombrink zijn oog laten vallen op de Hoeksche Waard ten zuiden van Rotterdam. Hij propageert met grote voorzichtigheid dat Rotterdam en de Hoeksche Waard op gebieden als infrastructuur, economie, ruimtelijke ordening en milieu moeten samenwerken. “Als iemand uit de grote stad komt vertellen wat goed is voor de Hoeksche Waard, werkt dat meestal niet goed. Ik wil niet de indruk wekken dat ik even Rotterdamse belangen regel”, zegt hij.

Hij benadrukt daarom dat het hem er niet om te doen is in de Hoeksche Waard plompverloren omvangrijke, slecht vormgegeven bedrijfsterreinen te ontwikkelen. Hij wil een “bezinning” over de toekomst van de Hoeksche Waard, waarbij de mogelijkheden van nieuwe bedrijfsterreinen worden gecombineerd met aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving en het landschap op dit eiland. Kombrink realiseert zich goed het verzet dat een minder voorzichtige benadering kan oproepen. In de jaren zestig maakte Rotterdam plannen voor een kanaal door de Hoeksche Waard, waardoor het Westbrabantse Moerdijk (waar Shell zich vestigde) voor zeeschepen bereikbaar zou worden. Daardoor werd echter iets heel anders bereikt. De plannen bevorderden het groeiend verzet tegen de uitbreiding van zeehavenindustrie-terreinen die Rotterdam had voorzien.

Kombrink kijkt echter op een heel andere manier naar de Hoeksche Waard dan het Rotterdamse Havenbedrijf in de jaren zestig deed. Hij beseft dat niet alleen de onvoldoende beschikbaarheid van goede terreinen voor bedrijven een reden is om de omgeving van het Rotterdamse havengebied te verlaten. De bedrijven kiezen ook voor Brabant en Gelderland wegens het aantrekkelijker woonklimaat voor hun personeel. “We moeten naar de Hoeksche Waard kijken omdat we bedrijven geschikte terreinen moeten kunnen aanbieden. Met de hoge werkloosheid in Rotterdam zijn we verplicht om alles te doen om aanbod van banen te genereren. Maar dat betekent ook dat we moeten investeren in het aantrekkelijker maken van het woon- en leefklimaat. We moeten niet alleen aan bedrijfsterreinen denken, maar ook aan nieuwe groengebieden. Het ministerie van VROM is er niet enthousiast over, maar ik denk dat als er werkgelegenheid in de Hoeksche Waard bij komt, je ook woningbouw in dat gebied moet toestaan”, zegt Kombrink.

De Rotterdamse wethouder heeft niet de illusie dat hij bedrijven die zich om logistieke redenen in Brabant willen vestigen, hiervan kan weerhouden. “Maar je moet alles in het werk stellen om activiteiten in de Rotterdamse regio te behouden”, zegt hij. Kombrink is niet bang dat concurrentie tussen Rotterdam en Brabantse en Gelderse gemeenten zal leiden tot een overschot aan bedrijfsterreinen. Hij rekent erop dat het huidige ruimtelijke-ordeningbeleid tot gevolg zal hebben dat de toename van deze terreinen buiten grootstedelijke gebieden op afzienbare termijn wordt beperkt.

Volgens Kombrink heeft Rotterdam zich in het verleden te eenzijdig gericht op de zeehaven en het containervervoer. Het klassieke stukgoed, dat uit het oogpunt van werkgelegenheid de moeite waard is, werd daarbij met te groot gemak aan andere havens overgelaten. “Te weinig werd er gelet op van de haven afgeleide activiteiten die werkgelegenheid konden opleveren. Het haven nummer één zijn in de wereld is meer dan een verhaal over de jaarlijkse overslag van tonnen goederen. De economische structuur van Rotterdam moet veelzijdiger worden”, zegt hij.

    • Ben van der Velden