'Je hoeft niet te zweten om zelfbewust over te komen'

In zijn privéleven kreeg tafeltennisser Trinko Keen (24) de laatste jaren veel teleurstellingen te verwerken. Een dubbelpartner pleegde zelfmoord, een vriend overleed en zijn vader kreeg een hersentumor. In sportief opzicht heeft Keen er niet onder geleden. Vorige week plaatste hij zich voor de Spelen in Atlanta.

VEENENDAAL, 17 FEBR. Heel even lijkt de oude Trinko Keen weer op te staan. Hij ergert zich tijdens de centrale training in Veenendaal aan jeugdspelers die hinderlijk in de weg lopen. De concentratie is verstoord, verder trainen heeft weinig zin. En het gesprek kan ook maar beter elders worden voortgezet. Hij is weer even uit balans. “Hier baal ik van.”

Pingpongers zijn zenuwpezen. Tafeltennis vergt het uiterste van de mentale kracht van een sporter. De Chinese en Zweedse topspelers hebben de ideale balans gevonden. Veel Nederlandse spelers vechten niet alleen tegen hun opponenten, ze voeren een ingewikkelde strijd tegen de eigen zenuwen. Keen had er ook last van. Het grote talent uit het Gelderse Randwijk worstelde zich naar de nationale top. De spelvreugde viel niet van zijn gezicht af te lezen.

“Anderhalf jaar geleden dacht ik serieus aan stoppen. Ik had geen trek meer in het hele circus. De manier waarop ik topsport bedreef vrat energie. Ik sliep slecht tijdens toernooien, was altijd heel erg zenuwachtig. Ik ergerde me aan allerlei dingen en ergerde me vervolgens dat ik me ergerde.”

Tafeltennis werd voor Trinko Keen een zoektocht naar zelfkennis. Hij benaderde een psycholoog. “Die heeft mij geholpen een super-ego te kweken. Dat woord is in de volksmond een onhandige term. In de psychologie betekent het dat je heel kritisch naar jezelf kijkt. Je controleert waarmee je bezig bent. Ik kan mezelf nu niet meer voor de gek houden. Het nadeel is dat ik altijd met mezelf word geconfronteerd.”

“Ik voel me pas goed als ik niemand nodig heb. Als ik graag mensen erbij wil hebben, gaat het meestal slecht met me. Ik wil me ook door niemand laten afleiden. Ik probeer ontspanning te halen op een natuurlijke manier. Dat is een hele lange weg. Daarin heb ik een paar stapjes gezet en ben ik weer een paar stapjes teruggevallen. Maar ik heb wel het gevoel dat ik omhoog ga.”

“Ik wil liever een vertrouwd iemand zonder kennis langs de kant dan een coach die mij niet begrijpt. Een oude vriendin zei eens: 'Zoals jij het wilt, kan ik het ook nog wel'. Daar zat een kern van waarheid in. Als je maar dezelfde denkwijze hebt. Ik heb helaas weinig coaches meegemaakt die me goed aanvoelden. Coaches zijn alleen nuttig bij het analyseren van een wedstrijd.”

Zijn veranderde houding is een geleidelijk proces geweest. “Ik heb niet een knop omgedraaid en klaar is Kees. Mijn vader heeft me gewezen op mijn gedrag achter de tafel. Die ergerde zich langs de kant. 'Speel toch gewoon', zei hij dan. Hij legde de vinger op de zere plek. Als je grootste probleem van mentale aard is, dan moet je daar iets aan doen. Niet jezelf verschuilen achter verkeerde beslissingen van een ander.”

Vader Bertus Keen heeft zijn kinderen klaargestoomd voor de nationale top. Met zachte hand en zonder psychologische uitspraken stond hij aan de basis van het succes. Gerdie werd in 1994, tot ieders verrassing, tweede op het Europees kampioenschap. Trinko nam begin deze maand deel aan het sterk bezette Top 12-toernooi, waar hij in de voorronde werd uitgeschakeld. Zijn zieke vader zat op de tribune in Charleroi. “Hij komt nog steeds af en toe kijken, maar het betekent eerlijk gezegd niet heel veel voor me. Als hij er maar van geniet, dat is het belangrijkste. Toen ik bij het NK in de finale verloor, kwam hij me speciaal feliciteren. Had hij een leuke wedstrijd gezien.”

De jonge Keen heeft buiten de sport leren leven met teleurstellingen. Zijn andere benadering van het tafeltennis komt hem goed van pas. “Alles wat ik nu meemaak, zou ik ik een paar jaar geleden minder goed hebben verwerkt. Dan had ik niet op zo'n hoog niveau kunnen blijven spelen. Ik ben nu beter in staat randverschijnselen op te vangen. Ik weet niet of je het relativeren noemt. Ik wil het tafeltennis absoluut niet geforceerd onbelangrijk maken. Voor mij is het werk en ik doe het zo goed mogelijk. Daar houdt mijn verantwoordelijkheid op.”

Hij vertelt over de ideale balans. Zijn prestaties mogen nooit van toevalligheden aan elkaar hangen. “Toen ik op het NK met koorts rondliep, ging m'n hartslag toch omlaag door de ontspanningsoefeningen die ik heb gedaan. Ik vond het leuk om mijn omgeving naar m'n hand te kunnen zetten. Het moet niet zo zijn dat ik uit mijn concentratie word gehaald door iemand met een witte trui op de tribune. Alle factoren die je niet in de hand hebt, moeten onbelangrijk worden. Dat is mijn doelstelling.”

“Na een nederlaag tekent zich de topspeler. Hoe kun je accepteren dat je van een minder goede speler toch verliest? Waldner had dat tegen mij in Charleroi. Hij richtte zich meteen op de volgende partij. En hij won het toernooi en ik heb geen partij meer gewonen. Dat is het verschil.”

Keen wil niet over schuld praten, maar de Nederlandse tafeltennisbond is tekortgeschoten in de begeleiding van jeugdspelers. De opleiding beperkte zich tot een groot aantal trainingsuren. Een serieuze mentale leerschool heeft Keen altijd gemist. “Het ontbrak aan structuur. Een goeie manager zou zeker geholpen hebben. Talent is meer dan goed spelen. Je hebt ook talent als je de rust weet te bewaren, als je weet wat goed voor je is. Of als je kunt doorbijten. Mijn zus heeft dat. Gerdie krijgt klappen en blijft maar doorgaan. Hoe komt het dat sommige talenten niet ver komen? Dat zouden ze zich bij de bond eens moeten afvragen.”

“Ik heb veel kostbare jaren verspeeld. Sommige buitenlandse jongens van mijn leeftijd zijn veel volwassener. Ik ben veel te laat mijn eigen weg gegaan. Ik weet zelf het beste wat goed voor me is. Financieel heb ik niks te klagen. Dat is geruststellend. Je krijgt privileges die je spel ten goede komen. Ik heb ook geen zin meer om te zeiken over dingen die niet kloppen. Er is zo veel oneerlijkheid in het leven. Dan hebben wij het niet slecht vergeleken met een ander.”

Keen realiseert zich dat het vele gekanker het imago van de Nederlandse tafeltennissport geen goed heeft gedaan. “Ik zeg altijd: kijk eens naar het buitenland, hoe vriendschappelijk de spelers daar met elkaar omgaan. De laatste jaren is er gelukkig veel veranderd. Vroeger naaiden spelers elkaar bewust een oor aan. Dat was tafeltennis in Nederland. De Chinezen deden het ook, het was geaccepteerd.

“Toen de Zweden aan de top kwamen lieten ze zien dat het ook anders kan. Gemoedelijker. De Zweden hebben het goede voorbeeld gegeven. Die zitten gezellig bij elkaar op de tribune. Geen opgefokte sfeer, geen verplichte zweetdruppels, gewoon jezelf zijn. Je hoeft je niet in het zweet te werken om stoer en zelfbewust over te komen. Dat noem ik geforceerd zelfvertrouwen kweken. Zelfvertrouwen moet je juist op eigen kracht ontwikkelen. Dat hebben ze in Zweden goed begrepen.”

De vermeende onsportiviteit onder de pingpongers is volgens Keen een achterhaald vooroordeel. “Ik durf hardop te beweren dat tafeltennis - althans bij de mannen - een van de sportiefste sporten is. De scheidsrechter beslist bijna niks, dat doen de spelers. Die voelen het beste aan of een bal de tafelrand heeft geraakt of niet. Die sportiviteit neemt de laatste jaren misschien wel te grote vormen aan. Als je een bal niet cadeau geeft, wordt meteen beweerd dat je het punt hebt gejat.”

Samen met Danny Heister won hij afgelopen weekeinde het olympisch plaatsingstoernooi in het Franse Nantes. Keen nam revanche op de misgelopen kwalificatie voor het enkelspel in Atlanta. Hij was ziek in Manchester, maar ziek zijn is niet langer een geldig excuus. “Al die successen brengen extra druk met zich mee. Druk druk druk. Op een gegeven moment knapt er iets en dat gebeurde net voor het kwalificatietoernooi.”

“Een paar weken later speelde ik al weer op een hoog niveau, hoewel ik me fysiek toen nog steeds beroerd voelde. Dat was een morele opsteker. Je slecht voelen en toch goed spelen, dat is de kunst. Het is moelijker om in een rumoerig zaaltje een wedstrijd te winnen dan in een mooie, grote hal.”

Heister en Keen wanen zich niet kansloos voor een olympische medaille. Ze dubbelen al vanaf de junioren met elkaar en hebben alleen geheimen voor de tegenstander. “Met dubbelen is het passen en meten. Danny en ik zijn allebei linkshandig. Je moet accepteren dat je de ballen krijgt die de ander liever zou hebben. Ik speel meer op variatie en effect. Danny speelt meer op tempo.”

“We zijn geen echte vrienden, want die moet jezelf kunnen uitkiezen. Danny ken ik uit het tafeltennis. Maar we hebben wel een speciale band. Bij een dubbel is dat een voordeel. Je accepteert meer van elkaar, gaat niet zo gauw lopen schelden.”

Voor Keen is de sportwereld een oppervlakkige wereld. Hij mist het diepere contact met zijn collega's, maar beseft dat een te hechte band ook nadelen heeft. “Hoe dieper je gaat, hoe meer energie je verliest. Hoe meer betrokkener je raakt, hoe onrustiger je wordt. De meeste tafeltennissers zijn niet dom of asociaal, ze kunnen zich alleen vrij gemakkelijk afsluiten. Ik probeer dat ook, maar heb als nadeel overal over te willen nadenken.”