In het voorjaar laait de lijfrentekoorts op

Onder belastingbetalers laait elk voorjaar de lijfrentekoorts op. Wie voor 1 juli een lijfrentepremie- of koopsom bij een verzekeraar stort, ziet zijn belastbaar inkomen gewoonlijk met maximaal 5758,- gulden per persoon dalen. Bij een groot dreigend pensioentekort kan die aftrekpost soms zelfs oplopen tot zo'n 79.000,- gulden.

De verzekeraar laat de ingelegde premie(s) groeien, meestal vele jaren. Op een afgesproken datum, bijvoorbeeld iemands zestigste verjaardag, komt het totale kapitaal vrij. Die spaarpot dient verplicht voor de aanschaf van lijfrentes. “Vrijwel niemand denkt vooraf na over het doel daarvan”, signaleert de Bredase pensioenconsulent Rob Goedhart. “Mensen staren zich vaak blind op het fiscale voordeel nu, en ze veronderstellen dat ze hun geld aan het einde van de looptijd lekker snel kunnen terughalen.” Dat kan tegenvallen, weet hij. “Als je naast een lijfrente straks een goed pensioen hebt, betaal je vaak toch vijftig procent inkomstenbelasting over de uitkering. Daarbij zit je tegenwoordig wettelijk vast aan vier soorten lijfrentes. Wie zich daar niet aan houdt, loopt de kans z'n hele lijfrentekapitaal kwijt te raken aan de fiscus.”

De fiscale goocheldoos van lijfrenteverzekeringen is na de Brede Herwaardering van 1992 veel leger dan die van oudere polissen. De bijeen gespaarde kapitalen moeten tegenwoordig een nauw omschreven doel dienen. Ten eerste is er de oudedagslijfrente, een uitkering die kan ingaan op elk moment, maar nooit eerder mag eindigen dan bij overlijden. Daarnaast bestaat de tijdelijke oudedagslijfrente. Die uitkering start niet eerder dan de AOW- of pensioenuitkering en duurt minimaal vijf jaar. De derde soort, de overbruggingslijfrente, mag juist maximaal lopen tot het pensioen of de AOW-uitkering begint. Ten slotte kan een polishouder kiezen voor een lijfrente die uitkeert bij zijn overlijden of bij de dood van z'n partner. De periode van uitkering mag de ontvanger meestal zelf bepalen.

“Sommigen van mijn klanten hebben tegen hun pensioengerechtigde leeftijd tien of twaalf verschillende lijfrentepolissen bij allerlei maatschappijen”, omschrijft Goedhart de situatie waartoe de lijfrente-koorts kan leiden. Als de kapitalen beschikbaar komen, moet de verzekerde de markt op om een lijfrente te regelen. Hij mag daarvoor elke verzekeraar benaderen, want de aankoop van lijfrentes staat los van de maatschappij waar de premie of koopsom destijds is gestort. Goedhart: “Voor een goede onderhandelingspositie is het raadzaam alle kapitalen samen te voegen en de lijfrente onder te brengen bij één maatschappij.” Als looptijden van polissen verschillen, moet de verzekerde de afloopdata dus voor- of achteruit schuiven. Verlengen is niet moeilijk: je sluit een nieuwe verzekering af. Verkorten kan echter problematischer zijn”, aldus Goedhart. “Verzekeringstechnisch leidt dat vaak tot afkoop. Je moet vooraf berekenen of dat wel zo voordelig is. Er zijn verzekeringen die een extra winstuitkering geven op de einddatum. Als je die bonus door afkoop misloopt, kan dat behoorlijk wat schelen.”

Veel verzekeraars vragen hun klanten twintig tot dertig jaar vooruit te bepalen wanneer het lijfrentekapitaal beschikbaar moet zijn. Goedhart: “In die periode kan je leven ontstellend veranderen. Kies dus liefst voor een polis die je niet vastprikt op 60 of 65 jaar, maar neem er een waarbij je later zelf mag kiezen wanneer je het kapitaal gaat omzetten in een lijfrente. Daarmee voorkom je nieuwe poliskosten.” Goedhart is voorstander van de uit de Angelsaksische landen overgewaaide universal life-verzekeringen. “Die bieden veel meer vrijheden. Terwijl zo'n polis loopt, kun je besluiten een deel van de jaarpremie te bestemmen voor een aanvullende dekking bij overlijden of arbeidsongeschiktheid. Dat kan weleens handig zijn voor iemand die uit loondienst komt en voor zichzelf gaat beginnen.”

Zodra een lijfrentekapitaal beschikbaar is, moet de verzekerde een lijfrente aanschaffen die past bij zijn persoonlijke omstandigheden. “Als een verzekeraar een lijfrente aanbiedt zonder enige tekst of uitleg, moet je daar nooit zomaar op ingaan”, waarschuwt Goedhart. “Ieders situatie is anders. Maak daarom, zowel bij het afsluiten van een verzekering als aan het einde van de looptijd, voordat je iets beslist, een inkomensplaatje voor de toekomst.” Een handig hulpmiddel daarbij is Goedharts LOA-theorie, waarin LOA staat voor drie cruciale gebeurtenissen: leven, overlijden en arbeidsongeschiktheid. Goedhart: “Vraag je ten eerste af hoeveel geld je jaarlijks, naast de VUT, AOW, pensioen en ander inkomen, nodig hebt gedurende de tijd dat je nog leeft. Bedenk vervolgens wat er financieel verandert als er iemand in het huishouden overlijdt. Breng tenslotte in kaart wat de financiële gevolgen zijn wanneer iemand in het huishouden arbeidsongeschikt raakt.” Lijfrenteverzekeringen zijn slechts één manier om geld te hebben op je oude dag, beklemtoont Goedhart. “Geconstateerde tekorten kun je ook dekken met gespaard of belegd vermogen.”

Naast de financiële noden beïnvloedt ook iemands persoonlijke instelling de lijfrentekeuze. Theoretisch is het mogelijk dat iemand een dag na het vrijkomen van een kwart miljoen gulden lijfrentekapitaal overlijdt, waardoor hij niet van de lijfrentes kan profiteren. Goedhart: “Om die reden willen sommigen hun geld in een zo kort mogelijke periode terughalen. Een ander daarentegen wil voor zijn rust juist per sé verzekerd zijn van een levenslange uitkering, hoe kort of lang die periode ook is.” Ook voor mensen die geen tien of twintig jaar vooruit willen of kunnen kijken, bestaan passende oplossingen. Goedhart: “Je kunt met de verzekeraar bijvoorbeeld overeenkomen dat hij vanuit een deel van het lijfrentekapitaal vijf jaar lang 10.000 gulden uitkeert. Het resterende kapitaal schuif je door naar een later tijdstip.”

Zoveel Nederlanders, zoveel visies, weet Goedhart uit ervaring. “Blijf zelf dus goed nadenken en stap pas naar verzekeraars wanneer je wensen op een rijtje staan. Vraag vooral verschillende offertes aan.”