Euro en de logica

De invoering van de gemene Europese munt roept uiteenlopende reacties op: van beheerst en optimistisch tot nerveus en negatief. Meerdere briefschrijvers tobben over de volgens hen nadelige gevolgen van de euro. Zij redeneren via allerlei wegen - bankencrisis, verkwanselen van onze keiharde gulden, dreigende inflatie uit Zuideuropese landen en afnemende koopkracht - naar een dramatisch eind der tijden. 'Er moet maar eens stevig aan de bel getrokken worden bij de HH verantwoordelijke politici, met dit probleem in de hand', eindigt een brief. Daar zit wat in: de politici reageren alerter op de invoering van een onbelangrijk televisiekanaal voor sport dan op de nieuwe munt.

De briefschrijvers eindigen hun betoog steevast met een vraag over de gevolgen voor hun financiën, met name verzekeringen en hypotheken. Een voorbeeld. “Ik heb in 1991 een spaarverzekering gesloten met een looptijd van 12 jaar en een gegarandeerde rente van 7,25 procent. In 2003 ontvang ik 200.000 gulden aan uitkering. Die twee ton is dan door de zuidelijke Euro-inflatie minder waard dan nu. Wat moet ik doen om de koopkracht van dat bedrag te beschermen? Kan ik er zeker van zijn dat de verzekeraar mijn geld uitzet bij een bedrijf dat niet net vóór 2003 failliet gaat en ik daardoor helemaal geen geld krijg?'

Deze zorgen zijn van alle tijden en hebben niets te maken met de euro. Die 'zuidelijke' inflatie heeft ons land in het verleden ook jaren gekend. Er is geen reden te bedenken waarom de prijzen niet weer een keer snel kunnen gaan stijgen, los van een monetair verdrag.

Maar waarom moet je altijd uitgaan, gefixeerd zijn, en bang zijn voor stijgende prijzen? Op dit moment stijgen de prijzen minder snel, neemt de inflatie af. In sommige sectoren dalen de prijzen zelfs, doordat consumenten om meer dan een reden terughoudend of kieskeurig zijn in hun koopgedrag. Die onderbesteding zet een neerwaartse economische spiraal in werking: daling van de productie en dienstverlening, minder winst, teruglopende investeringen, minder werkgelegenheid, minder loonstijgingen, nog meer onderbesteding, lagere prijzen enzovoort. Gevolg: de koopkracht van een gulden neemt toe in plaats van af. De bezitter van (contant) geld is dan beter af dan een aandeelhouder, die de koersen van zijn bezit ziet dalen. Deze deflatoire trend is mogelijk erger dan een beetje inflatie.

Wat doet een verzekeraar met de ontvangen premies? Hij zoekt (in 1991) een bedrijf dat voor langere tijd, zeg 12 jaar, geld wil lenen, daar 7,25 procent rente over betaalt en in 2003 zonder mankeren aflost. De briefschrijver veronderstelt een innige relatie tussen zijn premies, de toekomstige uitkering en een lenend bedrijf. Die band is er niet. De verzekeraar rekent in het groot, houdt rekening met de premies van alle verzekerden, plant toekomstige uitkeringen en baseert daarop een ingewikkeld financierings-beleggingsplan. Wanneer sommige bedrijven niet aflossen, dan is dat een probleem voor de verzekeraar en niet voor de polishouder. Die krijgt immers een gegarandeerde uitkering uitbetaald.

Die zekerheid heeft een verzekerde niet wanneer het gaat om een verzekering waarvan de premies rechtstreeks worden belegd in beleggingsfondsen en/of in aandelen bedrijven en hij zelf het (voor- en nadelige) risico draagt. Dan is er wèl een rechtstreekse band tussen de verzekerde en een fonds of bedrijf.

Kan je die vijand uit het Zuiden veranderen in een vriend? Die angstaanjagende inflatie ombuigen in je voordeel? Ja, waarschijnlijk wel.

Neem Italië. Daar is de kapitaalmarktrente 10,5 procent - bij ons 6,14 procent. Een deel van dat percentage is een vergoeding voor de inflatie in dat land. Wie zijn geld belegt in Italiaanse lires krijgt dus een compensatie voor de geldontwaarding. Zal dat altijd zo blijven? Nee. Stel dat de monetaire unie begint met landen rond Duitsland die hun munteenheid koppelen aan de mark, zoals Nederland. Voor die landen verandert er dan weinig. Andere landen volgen in de loop van de tijd, na het jaar 2000, als hun huishouding op orde is. Ook Italië zal eens, het kan nog tien jaar duren, de tering naar de nering zetten. Op dat moment daalt daar de rente en zal de lire in waarde stijgen, tenzij de euro/mark-landen economisch afglijden en Italiaanse trekjes vertonen.

Hoe kan je profiteren van deze veronderstelling? Door Italiaanse obligaties te kopen. Die zijn 'goedkoop' omdat de koersen laag zijn (door die hoge rente) en de lire goedkoop is, vergeleken met de gulden. Wanneer de rente gaat dalen, stijgen de obligatiekoersen. Dit effect wordt versterkt als de lire straks stijgt ten opzichte van onze euro.

Door zo eurologisch te redeneren hoeft een belegger niet bang te zijn voor de euro. Wie deze strategie overweegt, of een met Spaanse peseta's, moet dit doen in overleg met zijn bank.

    • Adriaan Hiele