De vrouw in oorlogstijd

MINEKE BOSCH, ea. redactie: Sekse en oorlog. Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 15

192 blz., geïll., IISG 1995, ƒ 34,50

Openhangende kleren, vertrokken gezichten, worstelaarsarmen. Met haar keuze voor een woeste afbeelding van Kenau Simonsdochter Hasselaar en haar gewapende medestrijdsters op de omslag maakt de redactie van het Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis haar visie op één aspect van de relatie tussen sekse en oorlog in elk geval duidelijk: de veronderstelling van een inherente vrouwelijke vreedzaamheid, die vrouwen van uiteenlopende politieke richtingen in het verleden zo vaak als basis kozen voor hun politieke betrokkenheid, heeft hier niet het uitgangspunt gevormd. En dat is maar goed ook, want van zulke traditionele en verhullende associaties worden we natuurlijk niets wijzer.

Hoe de relatie tussen sekse en oorlog, die het onderwerp vormt van Jaarboek-aflevering 15, dan wel ligt is overigens een vraag die voorlopig onbeantwoord zal blijven, ook gezien het weinige onderzoek dat hiernaar juist in Nederland nog maar is verricht. Het Jaarboek schiet wat dat aangaat evenzeer te kort: Nederlands onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog ontbreekt nagenoeg, terwijl dit nummer daar wel voor was bedoeld, en een stuk over de betekenis van het Nationaal Monument op de Dam gaat aan niet vervulde pretenties ten onder. Aardig is wel de analyse door Mieke Aerts van de fricties tussen de naoorlogse beeldvorming van koningin Wilhelmina als de Moeder des Vaderlands en haar zelfbeeld als soldaat, dat wil zeggen: niet als moederlijke maar als martiale monarch.

Maar de mooiste en meest informatieve artikelen zijn vertalingen. Zo bediscussieert de Belgische hoogleraar Eliane Gubin de bekende hypothese dat de Eerste Wereldoorlog de positie van vrouwen wezenlijk ten goede zou zijn gekomen. België was bezet gebied en dat betekende dat vrouwen niet, zoals in Engeland en Frankrijk het geval was, werden gemobiliseerd om de arbeid van mannen in de fabrieken waar te nemen; integendeel: de mannen kwamen en masse werkloos thuis te zitten en vrouwen die een baan hadden werden onder druk gezet die op te geven ten gunste van de mannen. Het huishouden werd, net als het dat in Nederland in de jaren '40-'45 was, een veeleisende klus. Maar een klus die nu plots ook de heren bezighield: “Niet eerder waren er zoveel mannen met manden of boodschappennetjes op straat.” Wat had dit nu later voor gevolgen? Heel interessant is: een blijvend verlaagd geboortencijfer. Ondanks alle moeite van de Katholieke Bond voor Groote Gezinnen, een verbod op voorbehoedmiddelen (1923) en steeds meer wettelijke beperkingen van de vrouwenarbeid, hielden de meeste Belgische gezinnen tijdens het interbellum het bij hooguit twee kinderen. Zoals Gubin terecht opmerkt, kan dat nooit alleen een vrouweninitiatief zijn geweest.

Oorlog en burgerschap zijn nauw verbonden. Wie niet mag sterven voor het vaderland mocht lange tijd ook niet stemmen. In diverse landen kregen vrouwen stemrecht na de Eerste, in andere na de Tweede Wereldoorlog. In België mochten vrouwen, uitgezonderd prostituées, na 1920 meedoen bij de gemeenteraadsverkiezingen, en oorlogsweduwen, moeders van gevallen soldaten en vrouwen die ten gevolge van vaderlandslievende daden gevangen hadden gezeten, ook aan de parlementaire; die uitbreiding viel pas na de Tweede Wereldoorlog alle Belgische vrouwen ten deel.

Het verband tussen stemmen en sterven heeft in het verleden vooral onder feministen verdeeldheid gezaaid rond de kwestie van een vrouwendienstplicht. Was dienstplicht de prijs voor het burgerschap, of stond de kans te sterven in het kraambed (travailler pour la patrie) gelijk aan de dood op het slagveld en kon een vrouw “terwijl zij wol spint en bij de haardstede blijft, zonder harnas of kazak, een nuttige soldaat voor het vaderland zijn”? Dit laatste was het oordeel van een van de vele Franse auteurs die zich eind negentiende eeuw bogen over de vraag naar de femme-soldat en de binding van vrouwen aan de nationale staat.

Medeplichtig

Wat de praktijk van de Tweede Wereldoorlog aangaat, herhaalt de Duitse historica Gisela Bock met een prikkelend betoog nogmaals haar bezwaren tegen de these van de Amerikaanse onderzoekster Claudia Koonz dat de 'gewone' Duitse vrouw als echtgenote en moeder door haar onderdanige beperktheid tot de huiselijke sfeer medeplichtig was aan de nazistische politiek. Volgens Bock vormden Kinder, Küche, Kirche niet de essentie van de nazipolitiek jegens vrouwen, integendeel: vrouwen werkten onder Hitler op grote schaal buitenshuis en een carrière vormde niet zelden de springplank tot bijvoorbeeld een positie in de SS of als kampbewaakster. Vrouwen, stelt Bock, waren niet meer of minder 'daders, slachtoffer, omstanders en meelopers' van het fascisme dan mannen.

Een fraaie overdenking tenslotte bij de relatie tussen sekse en oorlog levert Marjan Schwegman, die in 1980 als een van de eersten binnen het nieuwe gebied der vrouwengeschiedenis publiceerde over Nederlandse verzetsvrouwen. Zij wijst op de verschillende historische betekenissen die de seksen als archetypische oorlogsslachtoffers ten deel zijn gevallen. Eerbetoon en gedenktekens voor de 'onbekende soldaat'; verstoting, stilte en schaamte voor de verkrachte vrouw. “Is het misschien omdat de figuur van de verkrachte vrouw niets anders dan haar sekse kan representeren, terwijl de figuur van de onbekende soldaat mannen symboliseert in een duidelijke politieke en historische rol, een rol die het mannen mogelijk maakt als het ware aan hun sekse te ontstijgen?”

Zo is de cirkel rond en zitten vrouwen klem. Want oorlogsslachtoffer zijn als sekse is niet eervol, maar strijden en als landssoldaat uitstijgen boven de beperktheid van de individuele lichamelijkheid, dat mocht ook niet. Het schilderij van de oorlogszuchtige vrouwen dat de omslag van dit Jaarboek siert, bedoeld om de heldhaftigheid der patriottische vrouwen te tonen, werd in 1854 in Haarlem onderwerp van een hevige controverse. Zo 'onedel' mocht men vrouwen niet afbeelden.

En had er eigenlijk wel ooit een Kenau op de stadswallen gestaan? Van een erenaam veranderde Kenau in een scheldwoord.

    • Jolande Withuis
    • Jolande Withuis is sociologe