De armzalige museumvoorwerpen uit voorbije schrijverslevens

Fetisj! Schrijvers en de dingen. Letterkundig Museum, Prinses Irenepad 10, 2595 BG Den Haag. T/m 9 juni. Openingstijden: di-vrij 10-17u, za en zo 12-17u.

Het is niet zo vaak dat mensen treffend hun eigen karikatuur tekenen. Dat een instelling zichzelf grinnikend karikaturiseert komt waarschijnlijk nog minder voor. Maar het Letterkundig Museum heeft het gedurfd. Gnuivend, dat kan eigenlijk niet anders, je hoort het als het ware nog bij het bekijken van de tentoonstelling, hebben de directeur en twee van zijn medewerkers het museum nu eens te kijk gezet als de instelling die een bespottelijke eerbied aan de dag legt voor rariteiten van schrijvers. De tentoonstelling Fetisj! Schrijvers en de dingen is het resultaat.In prachtige plexiglazen kubussen, die in drie muurtjes op elkaar gestapeld zijn, liggen daar beroemde onzindingen te prijk als het puntje van de laatste sigaar van Kloos - in de wandeling de laatste peuk van Kloos genoemd - de reisbroek van Belcampo, de stofzuiger van Vestdijk, het hardroze carnavalskostuum van Couperus - waarnaar altijd verwezen wordt als 'de roze zomersmoking' -, het schrijfkleedje van Den Doolaard, de helm van Hanlo. Het zijn voorwerpen die een zo grote eigen roem hebben verworven dat ze zonder catalogustekst herkenbaar zijn: als dat Vestdijks stofzuiger niet is! De meester gebruikte deze stofzuiger om het geblaf van de buurhonden of andere onwelkome geluiden niet te hoeven horen als hij aan het schrijven was. Hij had ook zelfgemaakte en zeer huiveringwekkende oordopjes, eveneens te kijk, vervaardigd van met papier volgestopte thermometerhulzen. Die moeten wel heel bespottelijk uit zijn oren hebben gestoken. Stel je de man voor, stofzuiger aan, oorpluggen in - mijn hemel. Ik heb wel eens een schrijversvrouw over haar man horen zeggen: “Soms als ik naar hem kijk denk ik: hu wat een engerd!”

Het Letterkundig Museum bestaat natuurlijk van papier. Brieven, kladjes, onvoltooide romans, manuscripten, dagboeken, ongepubliceerde gedichten, daar is het voor. Maar met dat papier mee komen soms curiosa. In zijn toespraak bij de opening van de tentoonstelling veronderstelde Nicolaas Matsier dat het museum tegenover dergelijke schenkingen een zeker weerloosheid aan de dag moest leggen, geschenken neemt men nu eenmaal in ontvangst en bewaart ze: “Geschenken nemen hun ontvanger wat dat betreft enigszins in gijzeling.” Dus staan in de kelders de wandelstokken van allerlei hompelende schrijvers, liggen er onzinnige fotootjes, frutsels en propjes die ijdele schrijvers aan het museum schonken (ooit heb ik directeur Anton Korteweg eens in een toespraakje horen verzuchten dat sommige auteurs elk w.c.-papiertje opstuurden naar het museum), of aandoenlijke memorabilia die nabestaanden voorzien van zorgvuldige labeltjes naar Den Haag zonden.

Fetisj! is gevuld met deze voorwerpen. Allerlei presse-papiers, de perforator van Achterberg, een medaille van Gorter, het inktstel van Hélène Swarth, het schrijfetui van Henriette van Eyk, de kleurkrijtjes van Willem Bilderdijk. Die laatste zijn bijvoorbeeld toch wel weer leuk om te zien, voor wie weet hoe goed Bilderdijk kon tekenen - rare rebussen, volmaakte trompe l'oeuils - de gedachte dat hij echt zijn hand in dit doosje heeft gestoken en met deze krijtjes die dingen heeft gemaakt, dat dit voor hem een door en door vertrouwd doosje was, voor Bilderdijk, 1756-1831, die gedachte is, ja, wat is die gedachte? Dat vraag je je eigenlijk de hele tijd af op deze tentoonstelling bij de voorwerpen die je iets doen. Wat doen ze ons? Waarom? Wat maakt een plukje haar van Gorter tot een voorwerp waar je bij blijft staan mijmeren over cricketvelden in het voorjaar, over jongens die niet alleen iets wilden maar ook iets deden, over rijpe kersen en gefluit dat ik eens hoorde op een zomernacht over de vraag of Enno Endt Gorters trui nog steeds zou bezitten en bewaren?

Het is grappig van het museum om ons deze dingen eens te laten zien. Men moet er maar niet droevig van worden, wat ook makkelijk zou kunnen. Al die armzalig geworden spulletjes van bijna allemaal al dode mensen aan wie je zo vaak nog denkt - althans niet aan hen, maar aan wat ze schreven. Hoe heeft het groen leren etui met initialen van A. Roland Holst ooit kunnen vermoeden dat het nog eens in een vitrine zou komen te liggen, of de opmerkelijk dikke en zware pijp van J.B. Charles, of de viool van Anna Blaman? Onbelangrijke dingen, die ooit een rol in iemands leven speelden. Nu liggen ze daar maar wat curieus te zijn.

    • Marjoleine de Vos