Criminoloog Cyrille Fijnaut onderzocht de georganiseerde misdaad voor Van Traa; Colombia is overal

Na een jaar onderzoek in opdracht van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden is criminoloog Cyrille Fijnaut een wandelend dossier. Alle belangrijke processen-verbaal in de grote criminaliteit passeerden zijn ogen. Soms heeft hij zich verbaasd. “Dan dacht je waarom gaat zo'n man die je van de televisie kent nou uitgerekend op het feestje van die gangster zingen”.

Alsof er een popartiest de mensa van het juridisch instituut in Leuven binnenglipt. Van achter hun broodjes blikken de studenten als één man op om hun hoogleraar strafrecht en criminologie binnen te zien komen. Cyrille Fijnaut (49) is een verschijning.

Tijdens de lunch verklapt de professor dat hij zich verkneukelt bij de gedachte aan het carnaval dat dit weekeinde losbarst. “Ik hou er van om heel gek te doen”. Vorig jaar heeft hij op een feestavond voor zijn Belgische studenten een persiflage gegeven van Freek de Jonge én Youp van 't Hek. Het moet een groot succes zijn geweest. “De studenten lachten zich kapot en stampten in de zaal”. Fijnaut zal men niet hossend aantreffen in danszalen in zijn woonplaats Tilburg. Hij hoopt zich de komende dagen te vermaken met de uitzendingen van de Duitse televisie waarop live-registraties te zien zijn van carnavalsavonden en optochten.

Maar echt veel tijd heeft de wervelende wetenschapper overigens niet. Koud klaar met het in kaart brengen van de omvang van de georganiseerde misdaad in Nederland, wacht hem al een nieuwe, prestigieuze klus. De Belgische regering heeft hem gevraagd te bestuderen waarom justitiële onderzoeken naar de terreurdaden van de Bende van Nijvel - die in de jaren tachtig gruwelijke overvallen op supermarkten uitvoerde - nooit resultaat hebben opgeleverd. “Het dossier telt 400.000 pagina's”, zegt Fijnaut berustend.

Voorafgaande aan het interview bespreekt de hoogleraar in het Engels geduldig de studievorderingen met een Italiaanse studente. Zijn werkkamer is kaal en rommelig en ligt aan de verkeerde kant van een plein in het knusse Leuven. Boven het raam dat uitzicht biedt op een onooglijke binnenplaats hangt de Rijkspolitie Award van 1993 voor Fijnaut. “Voor zijn op onderscheidende en dynamische wijze geleverde bijdragen ten voordele van de politie”.

De criminoloog hoest veel. Hij is net hersteld van een post-enquête griepaanval die uitbrak na zijn optreden in het zondagse tv-programma Buitenhof. In de auto op weg naar huis begon het al. “Ik reed met een beurs hoofd. Het water liep me uit de ogen en oren”. Plichtsgetrouw als altijd stond hij de volgende ochtend om half zes naast zijn bed om file-vrij naar België te kunnen scheuren voor zijn wekelijkse colleges. Maar uiteindelijk kroop hij weer onder de wol. “Toen heb ik tegen mezelf gezegd: ik heb ook recht om ziek te zijn.”

Kroongetuige

Fijnaut leidde met de criminologen Bruinsma, Bovenkerk en Van de Bunt de 'bende' van vier wetenschappers die in opdracht van Van Traa ernst en omvang van de georganiseerde misdaad in kaart bracht. De opdracht maakte voormalig politie-inspecteur Fijnaut in één klap de toonaangevende strafrechtgeleerde van Nederland.

Hij zegt “geen idee” te hebben waarom ze juist hem hebben gevraagd voor de leiding van dit onderzoek. “Van mij weet men in ieder geval: hij maakt de klus af. Ik ben gehoord door de werkgroep-Van Traa toen die nog geen enquêtecommissie was en heb meteen gezegd: je kunt niet normeren als je niet weet wat je moet opsporen. Daar heeft de commissie nota van genomen. Je ziet het ook terug in het eindrapport. Ons onderzoek heeft gediend als register, als referentie voor het eindrapport van de commissie. Waar aan de ene kant wordt vastgesteld dat er geen Italiaanse toestanden zijn, wordt aan de andere kant de kroongetuige afgewezen.”

Fijnaut ziet het als zijn taak een ieder kond te doen van zijn wetenschappelijke inzichten. “Ik ben natuurlijk ambitieus. Ik krijg veel verzoeken en heb niet snel de neiging 'neen' te zeggen. Ik houd per jaar in België zo'n 20 à 25 lezingen. Als je onderzoek voor het parlement doet vind ik dat je ook moet opdraven als een lokale vereniging een toespraak van je vraagt. Dat is mijn opvatting van het vak. En het is ook goed. Laatst heb ik in Hasselt voor de 'Vereniging Actueel Leven en Denken' een zaal van 800 vrouwen anderhalf uur toegesproken. Als je daarna met de zaal discussieert, krijg je een idee wat mensen bezighoudt. Zo voorkom je dat je werkt in een ivoren toren.”

Hij wil niet werken zoals de meeste wetenschappers. “Ik heb altijd er altijd een hekel aan gehad te werken op één onderdeel in mijn vakgebied. Dat is de gebruikelijke academische manier om roem te vergaren. Je specialiseert je op dat gebiedje en op den duur ben je de enige die daar op scoort. Maar ik vind dat een dodelijke manier van werken. Ik kàn het ook niet: vijf jaar met één onderwerp bezig zijn, lijkt me funest. Ik neem mezelf heel serieus. Ik steek geen tijd in onserieuze zaken. De discrepantie tussen criminologie en strafrecht in de jaren tachtig vond ik onverteerbaar”.

Het was de periode dat Fijnaut zijn ambtelijke bestaan aan het departement van justitie verruilde voor een hoogleraarschap (1986) aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Hij kwam terecht op een faculteit waar een groot aantal wetenschappelijke medewerkers vooral excelleerde in beschouwingen over de afschaffing van het strafrecht of het schrijven van dichtbundels. Toegepaste wetenschap was daar geen alledaags verschijnsel. Fijnaut dacht er anders over.

“Ik zat een maand in Rotterdam toen ik naar de gemeente stapte met een verzoek voor onderzoek. Als je in zo'n stad werkt zou je wel gek zijn als je daar geen boortoren plaatst: overal spuiten de problemen uit de grond. Het leidde tot een uitgebreid onderzoek naar de criminaliteit in Rotterdam-Zuid”.

Bendewezen

In Bijlage VIII van het enquêterapport schetst Fijnaut smeuïg de geschiedenis van de vaderlandse misdaad waarbij een onderscheid wordt aangebracht tussen autochtone en allochtone criminaliteit. Het gaat over het 'bendewezen' in de 18e eeuw, botersmokkelaars in Brabant en de Hells Angels in Amsterdam die zich naast hun “min of meer vaste banen” onledig houden met drugs- en wapenhandel en protectie op de Wallen.

Er wordt een uitvoerig profiel geschetst van de zeven 'toonaangevende' Nederlandse misdaadgroepen. Die houden zich allemaal bezig met de handel in verdovende middelen. Fijnaut beschrijft de kopmannen maar noemt ze niet met naam omdat het contract dat hij met het ministerie van justitie heeft gesloten over zijn onderzoekswerk dit niet toelaat. Hij houdt zich er keurig aan; ook off the record staat hij niet toe om bij een kopje koffie te raden wie hij met boef A, of boef G bedoelt. Ook al is zonneklaar dat sommige portretten gaan over Etienne U. - de voormalige rechterhand van de vermoorde Klaas Bruinsma - de vorige maand boven zijn zuurkool aangehouden Johan V., en de 'geweldenaar', de wegens drugshandel veroordeelde woonwagenkoning Jacobus L.

Slotconclusie is dat er in Nederland geen allesregelende en almachtige criminele organisatie bestaat. “Er is in Nederland geen Octopus die de georganiseerde criminaliteit in het hele land omspant”, aldus het rapport.

“Je moet eigenlijk niet meer spreken van georganiseerde criminaliteit”, doceert Fijnaut. “Misdaadgroepen hebben geen kantoor met een secretaresse en een voorlichter. Ze organiseren zich informeel, onzichtbaar en zo plat mogelijk. De georganiseerde misdaad voert een voortdurende battle of information. Een goede crimineel voorkomt dat de overheid iets van hem te weten komt. Daar komt de pro-actieve politiestrategie ook vandaan.”(Politie-onderzoek lang voordat er een strafbaar feit is gepleegd, red.)

“Het beeld dat wij van de misdaad hebben gepresenteerd is gecompliceerder dan eerder bekend was. Politie en justitie hebben jarenlang onheilspellend gesproken over vele honderden misdaadgroepen. Dat was overdreven en te algemeen. Er zijn bijvoorbeeld drie à vijf politieregio's waar in het geheel geen topgroepen bestaan. In Assen komt georganiseerde criminaliteit niet voor. Het is dan ook een verschil of je hoofdofficier van justitie in Amsterdam of Assen bent. Dat scheelt dag en nacht. Een man als Vrakking (Amsterdam) heeft een gigantische klus. Het voorstel van Van Traa om het aantal van 440 officieren van justitie uit te breiden, zou vooral moeten gelden voor de randstad en het zuiden van Nederland. Daar vooral zit de zware criminaliteit”.

Relativering van de ernst van de zware misdaad staat Fijnaut niet aan. “Over onze inschatting van de ernst van de georganiseerde misdaad kan je discussiëren. Wij rekenen er de financieel-economische fraude, de witte boorden-misdaad, niet toe omdat daar geen aantoonbare intimidatie, corruptie en afrekeningen plaats hebben. Maar er zijn mensen die dat gemakkelijk bij de georganiseerde misdaad betrekken. Volgens de definitie van het Bundeskriminalamt is er al sprake van georganiseerde misdaad als twee mensen samen een criminele daad verrichten.

“Er zijn overdrijvingen. Mij is wel duizend keer gevraagd door de media of de familie Van der Valk tot de georganiseerde misdaad behoort. Een tijdschrift voor managers, zo'n blad met een glossy kaft, benaderde mij zelfs of ik een portret wilde schrijven van de 'mafia-familie Van der Valk'. Maar meer dan organisatiecriminaliteit bedrijven die mensen niet. Ze interesseren mij wel. Ik volg hun zaken al jaren. Ze vervalsen de concurrentie. Maar van intimidatie of corruptie is nooit iets gebleken”.

Alles kan

Uit alle onderzoeksgegevens blijkt dat de Nederlandse onderwereld volstrekt gepreoccupeerd is door de handel in geestverruimende produkten. Vooral de produktie en distributie van hasj en XTC is een lucratieve bedrijfstak van de penose. Toch wijst Fijnaut de stelling dat Nederland zo langzamerhand het Colombia van Europa is geworden, verontwaardigd van de hand. “Mij valt juist de globalisering van de drugshandel op: Colombia is overal. De smokkel van verdovende middelen is een internationaal bedrijf met Amsterdam als een van zijn wereldmarkten. Maar het is verkeerd daaraan de conclusie te verbinden dat Amsterdam uitzonderlijk is. Ik heb nota's van de Franse en Italiaanse regering gezien waarin Nederland als een fantoom wordt afgeschilderd. De Fransen schrijven dat 'Nederland een mafialand' is en de Italianen stellen dat in Nederland 'werkelijk alles kan'. Maar wie zegt mij dat het in Parijs minder is? Ik heb nog nooit een onderzoek gezien over de misdaad in Parijs waaraan de Franse overheid alle medewerking verleende. En voorzover ik de situatie in België ken, is er geen enkele reden te veronderstellen dat het hier minder erg is dan in Nederland. Hier zit meer mafia dan in Nederland. Anderhalve maand geleden werd in Antwerpen een secondant van Toto Riina aangehouden. Hij was gevlucht en leefde hier van een uitkering. Dat soort mafia-arrestaties hebben wij hier ettelijke malen gezien. Ik moet erbij zeggen dat er, denk ik, geen Europees land is dat zoveel internationaal hoog aangeschreven hasj-handelaren telt. Een autochtone Belg in de hasj is toch echt vrij zeldzaam”.

Zou het, gezien het overheersende aandeel dat de handel in verdovende middelen inneemt in het criminele bestaan, niet het beste zijn de handel inderdaad maar vrij te geven? Fijnaut gelooft van niet. “Legalisering van soft drugs zou hooguit een eerste reductie van de georganiseerde misdaad teweegbrengen. Maar je heft er de zwarte markt niet mee op. En de resterende illegale markt, voor hard drugs die je nooit kunt vrijgeven omdat ze zeer schadelijk zijn, wordt nog professioneler en lucratiever bediend. Kijk naar de smokkel in sigaretten die de laatste jaren weer de kop opsteekt omdat sommige landen immense belastingen op tabak heffen. Legalisering maakt de zwarte markt kleiner maar de criminaliteit harder”.

De criminoloog beschrijft in zijn rapport dat er op basis van de justitiële dossiers moeilijk zicht te krijgen is op de adviseurs van de drugshandelaren zoals advocaten, notarissen, accountants en witwassspecialisten. Een van de moderne adviseurs die Fijnaut beschrijft is de public relations-man van criminele organisaties. “De voorman van groep D (waarmee naar alle waarschijnlijkheid Etienne U. wordt bedoeld, red.) poogt bepaalde media te gebruiken voor de uitschakeling van zijn belangrijkste tegenstanders in de overheid gewoon door discrediterende berichten over hen te laten verspreiden. D. tracht ook via de media en vooral via journalisten met wie hij een vaste relatie onderhoudt, een zo gunstig mogelijk imago van zichzelf te creëren. Vanzelfsprekend om te voorkomen dat hij op den duur - ook in de ogen van het publiek - terecht het grote mikpunt van politie en justitie wordt”.

Fijnaut wil deze passage eigenlijk liever niet toelichten. De terughoudendheid wordt veroorzaakt doordat een officier van justitie en een politieman uit Haarlem werden weggelachen toen ze voor de enquêtecommissie verklaarden dat sommige journalisten door criminelen worden gemanipuleerd. Maar dan toch, een klein beetje: “Ik stel vast dat goede criminelen ook in staat zijn de media te manipuleren. Dat gebeurt. Voor iedere topcrimineel is het van 't grootste belang dat hij in de publiciteit niet in zijn ware gedaante wordt geportretteerd. Zo heb je dat bij Bruinsma gezien. Toen hij actief ging meewerken aan publicaties over zijn criminele imperium, was dat in feite het begin van het einde. Vandaar dat topcriminelen er alles voor over hebben om een raak portret te voorkomen. Het gevaar bestaat dat criminelen journalisten met drooglegging bedreigen zodra ze op die toer dreigen te gaan”.

Nekschot

Het was het afgelopen jaar voor de wetenschappelijke onderzoekers niet altijd even eenvoudig relevante informatie te achterhalen. Het centrale informatiepunt van de recherche - de CRI in Zoetermeer - is slechts in naam het middelpunt van de opsporing. Fijnaut heeft zich er aan geërgerd. “De CRI, het moet maar eens gezegd, staat op dit moment droog. De CRI zit niet ingebed in de informatiestromen. Er zijn politiekorpsen die een aversie hebben tegen de CRI en geen inlichtingen afstaan. Dan moet de CRI gaan bedelen bij korpsen die zelf overigens ook vaak geen goed overzicht hebben van wat er precies aan informatie in huis is. Het wordt hoog tijd dat een aantal korpschefs samen met het ministerie van justitie gaat bekijken hoe de CRI goed kan gaan functioneren”.

Wie denkt dat Fijnaut maandenlang met rode oortjes heeft zitten snuffelen in politiedossiers heeft het mis. Hij vond het, gelet op zijn politie-achtergrond, gewoon werk. Soms las hij eigenaardige dingen. “Dan dacht je waarom gaat zo'n man die je van de televisie kent nou uitgerekend op het feestje van die gangster zingen”. Maar er waren soms toch misdrijven die zo gruwelijk waren dat ze nog op zijn netvlies staan.

“Wat mij bijzonder raakte was het verhaal van de Italianen in Amsterdam. Twee kleine dealers die bij het Centraal Station werken en in hun bestaan voorzien door aan landgenoten drugs te verkopen. Ze raken in conflict met enkele grotere jongens en op een dag zien mensen op de gracht hoe een troepje mensen onder een brug een jongen dwingt het hoofd naar de grond te buigen. Met een nekschot wordt hij afgeknald. Zijn maat wacht hetzelfde lot. Een moedwillige liquidatie. IJskoud.”