Conclusie CITO-onderzoek: Veel Mavo'ers net zo goed als VWO'ers

ARNHEM, 17 FEBR. Een kwart van de Mavo-leerlingen haalde vorig schooljaar in de eerste twee klassen ten minste hetzelfde niveau als de gemiddelde VWO'er. Ook in het voorbereidend beroepsonderwijs streefde tien procent de helft van de VWO-leerlingen in absolute schoolprestaties voorbij.

Dit schrijft het instituut voor toetsontwikkeling CITO in een deze week verschenen rapport. Het CITO vergeleek de resultaten die de leerlingen vorig schooljaar behaalden voor de toetsen ter afsluiting van de zogeheten basisvorming in de eerste klassen van het voortgezet onderwijs. Leerlingen van alle schooltypen kregen bij deze toetsen precies dezelfde opgaven voorgelegd.

Het CITO noemt het opvallend dat de schoolprestaties van leerlingen in de verschillende onderwijstypen zozeer overlappen. Dit lijkt erop te wijzen dat de selectie aan het einde van de basisschool tekortschiet.

Het CITO hoopt volgend jaar meer te kunnen zeggen over de oorzaken van de onverwachts brede overlap tussen de niveaus van leerlingen in de verschillende vormen van voortgezet onderwijs. Dan kunnen ook de resultaten van leerlingen die in het derde schooljaar de basisvorming afsluiten bij het onderzoek worden betrokken. Vorig schooljaar konden middelbare scholen de toetsen voor het eerst gebruiken.

De toetsen zijn geen examens, onderstreept B. Douma, woordvoerder van het zogeheten Procesmanagement Basisvorming, de organisatie die in opdracht van het ministerie de invoering van de basisvorming in het voortgezet onderwijs begeleidt.

Net als het CITO durft hij nog geen oorzaken aan te wijzen voor de opmerkelijke resultaten: “Of die samenhangen met een verkeerd verwijsbeleid door scholen, of bijvoorbeeld te eenzijdige opgaven, ik zou het niet weten.”

Douma zet overigens vraagtekens bij de vergelijkbaarheid van de toetsresultaten. De wet geeft scholen namelijk de vrijheid af te wijken van de voorwaarden waaronder de toetsen moeten worden afgenomen. Zo mogen de docenten om onderwijskundige redenen de voorgeschreven toetstijd verlengen, onderdelen schrappen en leerlingen hulpmiddelen als een woordenboek uitreiken.

Volgens een in augustus verschenen onderzoek van de Onderwijsinspectie is zeventien procent van de scholen vorig schooljaar van de voorschriften afgeweken.

Sinds augustus 1993 krijgt elke scholier tussen de twaalf en vijftien jaar oud in het voortgezet onderwijs les in dezelfde vijftien vakken. Het tempo mag verschillen per school, maar uiteindelijk - na twee of drie jaar - moeten alle scholieren dezelfde eindtoetsen maken.

Hoe per vak de prestaties van de scholieren van verschillende schooltypen uiteenlopen, wordt uit het CITO-rapport niet duidelijk.

Pagina 3: Doel is leerlingen hetzelfde te leren

Het is niet voor het eerst dat de schoolprestaties van scholieren in alle typen voortgezet onderwijs met elkaar worden vergeleken. In 1983 onderzocht de onderwijskundige H. Pelgrum van de Universiteit Twente al hoe wiskundeprestaties van tweedeklassers zich tot elkaar verhielden. Hij rekende daarbij Havo- en VWO-leerlingen tot eenzelfde groep. Toen scoorde tien procent van de Mavo-leerlingen in wiskunde ten minste even goed als de gemiddelde Havo/VWO'er uit hetzelfde leerjaar. De overlap in schoolprestaties was dus kleiner dan die welke het CITO nu constateert. “Maar wiskunde is voor scholieren dan ook een van de moeilijkere vakken”, aldus Pelgrum.

Dat nu een kwart van de Mavo-scholieren in absolute prestaties niet onderdoet voor de gemiddelde VWO'er acht de onderwijskundige heel erg hoog, “zeker als je beseft dat dit geldt voor het totale vakkenpakket”. Anderzijds geeft deze overlap volgens Pelgrum misschien wel aan “dat we op de goede weg zitten. Want was het niet de bedoeling van de basisvorming om alle leerlingen, ongeacht op welk schooltype ze zitten, met eenzelfde lesprogramma hetzelfde te leren?”

Op basis van dezelfde gegevens valt daarentegen even goed te concluderen dat de verwijzing en selectie van leerlingen aan het eind van de basisschool niet louter op basis van intellectuele capaciteiten geschiedt. Dat is de opvatting van M. Sjamaar, rector van het Utrechtse Niels Stensen College voor Mavo, Havo en VWO. Hij ziet in de overlap van de schoolprestaties bewijs voor de stelling dat schoolkeuze sterk samenhangt met sociale herkomst. De uitkomsten illustreren volgens de schoolleider “dat er op Havo en VWO relatief veel mensen zitten die daar niet horen. Ze hebben te hoog gekozen onder druk van het ouderlijk milieu”.

Anders gezegd: “Het bijna debiele zoontje van de chirurg wordt zodanig bijgespijkerd dat hij met de hakken over de sloot Havo aankan, want een schoolloopbaan op de Mavo tolereren zijn ouders niet. Ouders van een kind uit een lagere economische klasse nemen daar veel sneller genoegen mee. Dat verhaal van gelijke kansen, ach: dat kun je alleen maar in de politiek vanachter je bureau verzinnen.”