China begint zo snel mogelijk aan voetbaltraditie

Vijf Nederlandse voetballers gaan binnenkort meetrainen met kampioen Dalian. Een reportage over de ontluikende profcompetitie in China.

PEKING, 17 FEBR. Vanachter haar bureau houdt Wu Jinghong contact met de vijftienhonderd leden van de fanclub. Links staat de telefoon, naast de waterkoker, en rechts ligt de administratie; een grote stapel papier in een kartonnen doos. “Chinese voetballers zijn niet in hun fans geïnteresseerd”, zegt Wu, met enige teleurstelling. “Maar dat geeft niets, ik zal Guo'an, de voetbalclub van Peking, altijd blijven steunen!”

In de drie jaar dat voetbal professioneel wordt gespeeld in China, is het aantal liefhebbers enorm toegenomen. Op zomeravonden gonst het gejoel van voetbalsupporters door de straten wanneer buurtbewoners zich rond één van de televisies scharen. En willekeurig welke Chinese man tussen de twintig en veertig jaar wordt aangesproken, doorgaans weet hij wel zijn favoriete voetbalspelers op te noemen; Ma-la-do-na (Maradona), Fa-Ba-se-te (Van Basten), Goe-lie-te (Gullit), Lie-tsje-kaa-doo (Rijkaard) en Ke-loe-fe (Cruijff).

“Maradona is de beste”, zegt Wu, wijzend op een verkleurde poster van de Argentijn. “Daarna komt Cruijff, dan Gullit. En Ajax is de beste ploeg.” Chinese clubs en spelers hebben niet haar voorkeur, maar dat is volgens Wu slechts een kwestie van tijd. “China kent geen voetbaltraditie, maar nu er professioneel wordt gespeeld, gaat de kwaliteit snel vooruit.”

Wu hield van kinds af aan van voetbal, volgens eigen zeggen omdat het haar aan haar eigen leven deed denken (“een wedstrijd zit ook vol met tegenslagen en harde strijd”) en begon in 1988 de eerste Chinese voetbalsupportersclub. “Ik realiseerde me dat veel Chinezen van voetbal houden, maar geen plaats hadden waar ze dat plezier met elkaar konden delen. Daarom geef ik nu een voetbalkrant uit en organiseren we regelmatig bijeenkomsten.”

Makkelijk was dat initiatief niet en Wu heeft gemerkt dat met het groeien van haar fanclub, de Chinese autoriteiten steeds minder bereid zijn mee te werken. “De Chinese overheid vindt groepsvorming gevaarlijk en onbeheersbaar. Maar ik zorg er juist voor dat het niet chaotisch is, zoals in het Westen. De autoriteiten zouden best behulpzamer mogen zijn.”

Yang Zuwu, plaatsvervangend general-manager van de voetbalclub Beijing Guo'an, vindt het terecht dat de overheid fanclubs als die van Wu niet steunt. Hij verwoordt de achterdocht die de communistische regering doorgaans ten toon spreidt wanneer individuele Chinezen een initiatief nemen. “De man van de straat is niet in staat grote groepen mensen te organiseren en in de hand te houden. Dat is iets waarin de overheid meer ervaring heeft”, aldus Yang.

Guo'an, dat tot 1993 nog geheel werd gefinancierd door de staat en nu functioneert als een zelfstandige onderneming, is nog niet helemaal af van zijn communistisch imago. Dat vertaalt zich onder meer in de uiterst 'correcte' presentatie van Yang. “Fans doen er beter aan lid te worden van onze eigen club, wij weten daarmee om te gaan”, zegt Yang terwijl hij naar een stapel inschrijfformulieren wijst. “Kijk, als leden van onze supportersvereniging zich misdragen, hebben wij hen zo gevonden. Hierin staan al hun gegevens.”

Niet dat Yang bang is voor de soort van voetbalcriminaliteit waaraan men in het Westen inmiddels gewend is, integendeel. Maar, zo verzekert hij: “Supporters doen in hun enthousiasme soms domme dingen. De meeste van hen zijn tamelijk ongeciviliceerd en bezigen schunnig taalgebruik. Onze supportersvereniging probeert dergelijk gedrag in banen te leiden.”

Ook het Chinese voetbal kent zijn opstootjes. Meestal blijft het bij schelden of een enkele duwpartij tussen de supporters, maar voor de Chinese autoriteiten is het voldoende de wedstrijden te beschouwen als broeihaarden voor problemen. Toeschouwers mogen geen spandoeken meenemen en worden geacht de hele wedstrijd te blijven zitten. Op het veld zijn lange haren, oorringen en spugen verboden en wordt goed gedrag aangemoedigd en beloond. Daarvan moeten de toeschouwers leren.

Rowan Simons, directeur van een Britse firma die bemiddelt in de verkoop van reclamezendtijd rond voetbalwedstrijden die op de Chinese televisie worden uitgezonden, gelooft dat de clubs aanzienlijk beter hun best moeten gaan doen. “Het is een tamelijk grote omschakeling geweest. Enkele jaren gelden werd nog gevoetbald omdat de staat daartoe opdracht had gegeven. Het maakte niet uit of er publiek kwam. Maar nu de sport commercieel is gegaan, zijn de clubs meer afhankelijk geworden van het aantal toeschouwers dat komt kijken. Dat is in dit land, waar klantenbinding en service nog in de kinderschoenen staan, een angstvallig vervreemdende gedachte.”

Volgens Simons zullen Chinese voetballers nog het één en ander aan image building moeten doen. “China heeft nog geen echte voetbalhelden. Vooral omdat de meeste Chinezen niet weten om te gaan met roem. De doorsnee voetballer is tamelijk simpel en kan amper lezen en schrijven.” Simons gelooft dat het de ontwikkeling van het voetbal enigszins tegenhoudt. “Ieder sport heeft sterren nodig. Maar geld doet wonderen. Uiteindelijk zal ook China zijn eigen helden krijgen.”

Guo'an manager Yang Zuwu kan niet vaak genoeg zeggen dat het voetbal in China nog een lange weg te gaan heeft en dat vooral niet moet worden vergeten dat het land nog maar vijftien jaar geleden, twee jaar nadat China economische hervormingen lanceerde, een herintrede heeft gemaakt in de internationale voetbalwereld. “Fans, professionele spelers, sponsors en interlands; het zijn allemaal zaken die tijd nodig hebben om te rijpen.”

Inmiddels kent China 24 professionele teams, die alle opereren als een zelfstandige onderneming. Volgens Yang is vooral het vinden van financiers een probleem. Guo'an wordt gesponsord door een Chinese bank en een Japanse elektronica onderneming, maar het contract met het Japanse bedrijf loopt eerstdaags af. “Een vervanger hebben we nog niet gevonden. We zoeken in het buitenland. Misschien wel een Nederlands bedrijf. Philips lijkt me wel wat”, zegt Yang.

Ook voor voetbalexpertise richten Chinese clubs zich op het buitenland. Zo mag iedere club maximaal drie buitenlanders in dienst nemen. Een aantal clubs heeft spelers aangetrokken uit de voormalige Sovjet-Unie. Volgens Yang zijn het goede spelers, die met gemiddeld duizend dollar per maand betaalbaar zijn. Chinese speler verdienen de helft.

Maar het huren van buitenlanders heeft ook tot conflicten geleid. In 1992 werd de Duitse trainer Klaus Schlappner door de Chinese voetbalbond aangetrokken, die het nationale team naar de WK moest leiden. Het team wist zich in 1993 niet te plaatsen en Schlappner werd vervangen door een Chinees.

Simons vertelt over de vooruitgang. Het nationale team won vorig jaar vriendschappelijke wedstrijden van het Britse Arsenal, het Braziliaanse Flamengo, het Italiaanse Sampdoria en speelde gelijk tegen AC Milan. “Leren doet men van de tv met wekelijks uitzendingen van Brits, Italiaans en Duits voetbal. Tijdens het WK in 1994 zaten meer dan honderd miljoen Chinezen aan de buis gekluisterd. Daar zit heus wel talent tussen.”

    • Floris-Jan van Luyn