Charles de Morny (1811-1865); Halfbroer van Napoleon III, dandy van Parijs

JEAN-MARIE ROUART: Morny. Un voluptueux au pouvoir

251 blz., Gallimard 1995, ƒ 49,10

Weinig periodes in de Franse geschiedenis zijn zo weggemoffeld in het collectieve geheugen als het Tweede Keizerrijk. Toch werd tussen 1852 en 1870 onder het bewind van Napoleon III de grondslag gelegd voor de modernisering van Frankrijk. Het meest spectaculair natuurlijk in Parijs, waar de prefect Baron Haussmann korte metten maakte met het middeleeuwse stadscentrum en op de puinhopen brede boulevards liet aanleggen die het bijkomende voordeel hadden het voor de regering gemakkelijker te maken politieke onrust de kop in te drukken. Parijs was in die tijd één gigantische bouwput, zeer tot ongenoegen van de Parijzenaars, onder wie Charles Baudelaire. Maar ook de Franse provincie werd ontsloten door de aanleg van een omvangrijk spoorwegnet.

Op sociaal gebied kwam eveneens het nodige tot stand: het stakingsrecht werd erkend, evenals het algemeen kiesrecht en een voor die tijd revolutionair recht op onderwijs voor meisjes. Napoleon III hield zich energiek bezig met armoedebestrijding, waarover hij zelfs een boek publiceerde (l'Extinction du pauperisme). Bijna 22 jaar is hij aan de macht geweest, eerst als president en daarna als keizer, waarmee hij met François Mitterrand behoort tot de twee staatshoofden die in de afgelopen 150 jaar Frankrijk het langst gedurende een onafgebroken periode hebben geregeerd. Het is verleidelijk parallellen tussen de twee te trekken: de architectonische erfenis, de politieke stijl met het dubbelspel als hoogste norm, de corruptie en de schandalen, de Duitse eenheid als sluitstuk (die natuurlijk Mitterrand minder aangerekend kan worden dan Napoleon III), de kloof tussen discours en realiteit en de frappante gelijkenis in karakter - het raadselachtige, complexe en tegenstrijdige waarbij overigens Mitterrand een veel cynischer en machiavellistischer sfinx was dan Napoleon III.

Maar terwijl de historische balans van het mitterrandisme nog moet worden opgemaakt, is voor het Tweede Keizerrijk het doek reeds lang gevallen. 'Een militaire parade te midden van een gemaskerd bal', zo is het regime van Napoleon III wel raillerend betiteld. En inderdaad, alle ingrediënten zijn in dit beeld verenigd: de lichtzinnigheid, de wansmaak, het gebrek aan authenticiteit en vooral de lachwekkende zucht naar roem en erkenning. Napoleon III is in het Franse geheugen bijgezet als een wat potsierlijke parvenu, een kruising tussen zijn legendarische oom en de Afrikaanse keizerlijke variant van onze tijd, Jean Bedel Bokassa. Bovendien rust op het regime de smet van zijn oorsprong - de staatsgreep van 2 december 1851 - en vooral zijn rampzalig einde: de verpletterende nederlaag tegen Pruisen, het verlies van Elzas-Lotharingen en de proclamatie van het Duitse Keizerrijk nota bene in de Spiegelzaal in Versailles. Nog steeds ligt Napoleon III begraven in Engeland (Farnsborough) en er zal nog veel water door de Seine moeten stromen eer men in Frankrijk het initiatief zal nemen zijn stoffelijke resten over te brengen naar Parijs. Het heeft zelfs tot 1990 geduurd voordat in de Franse hoofdstad een plein naar hem werd vernoemd (tegenover het Gare du Nord) - hij die met Haussmann als geen ander verantwoordelijk is voor de schepping van het tegenwoordige Parijs.

Het is niet goed voorstelbaar dat in de operette-achtige sfeer van het Tweede Keizerrijk ook iets groots kon worden verricht en dat Napoleon III en zijn halfbroer Charles de Morny daarbij een hoofdrol vervulden.

De Morny

Charles Auguste Louis Joseph de Morny werd op 22 oktober 1811 in Parijs geboren. Tenminste zo wil de burgerlijke stand het doen voorkomen, maar aan de geboorte-akte was alles vervalst. Een bejaarde suikerbaron uit Santo-Domingo was in ruil voor een riante lijfrente weliswaar bereid zijn naam aan de pasgeborene te geven, maar in werkelijkheid was de kleine Charles het buitenechtelijke kind van Hortense de Beauharnais, de vrouw van de Koning van Holland, Lodewijk Napoleon, met wie zij een notoir slecht huwelijk had, en Charles de Flahaut, een generaal van Napoleon, die op zijn beurt een natuurlijke zoon was van de legendarische diplomaat Talleyrand. Morny was dus als zoon van de Koningin van Holland van hoge geboorte, maar toch een paria en als onechte zoon van een vader die zelf een bastaard was, in feite bastaard in het kwadraat. Geheel in stijl overigens huwde hij in 1856 op 44-jarige leeftijd met de 18-jarige Sophie Troubetzkoï van wie werd beweerd dat zij de buitenechtelijke dochter was van tsaar Nicolaas.

In de voetsporen van zijn vader was hij bestemd voor een militaire loopbaan. Maar zijn wapenfeiten op de militaire academie konden niet in de schaduw staan van zijn veroveringen in de Parijse beau-monde. Het is in deze periode dat hij zijn reputatie vestigt van onbeschaamd levensgenieter en legendarisch vrouwenveroveraar. Hij dweepte met het uit Engeland overgewaaide dandyisme dat iemand met een zo problematische identiteit als Morny de nodige houvast bood. Een mislukte militaire expeditie in Algerije brengt Morny tot het inzicht dat hij voor officier niet in de wieg is gelegd. Bovendien noopt zijn levensstijl hem zijn amoureuze talenten meer in dienst te stellen van zijn materiële belangen. Zijn liaison met Fanny Le Hon, de schatrijke vrouw van de Belgische ambassadeur, wordt dan ook verbreed tot een zakelijk partnerschap. Het is de periode van het ongeremde kapitalisme, het 'enrichissez-vous en enrichissant la France' en Morny pikt gretig zijn graantje mee. Hij zit in de suiker, de spoorwegen, speculeert op de beurs en is als zakenman zo succesvol dat de mare 'Morny est dans l'affaire' voor velen gelijk staat met een garantie van succes.

Morny besluit nu ook in de politiek te gaan. Hij stelt zich kandidaat voor het district Clermont-Ferrand en wordt in 1842 in de Kamer gekozen. Maar het regime van de burgerkoning Louis-Philippe loopt op zijn laatste benen en Morny grijpt zijn kans als zijn halfbroer op 10 december 1848 tot president van de republiek wordt gekozen. Zijn 'finest hour' beleeft hij tijdens de staatsgreep van 2 december 1851, waarvan hij niet alleen de instigator was, maar ook de regisseur en de koelbloedige uitvoerder. Het verzet wordt met geweld gebroken en er volgen 26.642 berechtingen door militaire commissies. Morny toont zich vergevingsgezind voor monarchisten en gematigde republikeinen, maar onverbiddelijk voor revolutionairen: meer dan 15.000 tegenstanders worden gedeporteerd naar Algerije en Cayenne. Hij is nu op het toppunt van zijn macht. Te machtig naar het oordeel van de achterdochtige keizer die hem voor zijn beslissende rol bij de consolidatie van het regime beloont met ontslag. Hij komt weer in de gratie als hij als buitengewoon ambassadeur naar Rusland wordt afgevaardigd om de betrekkingen met de tsaar te herstellen die door de Krimoorlog waren beschadigd.

In zijn laatste jaren is hij als parlementsvoorzitter de drijvende kracht achter de liberalisering van het keizerrijk. Hij zoekt contact met een nieuwe generatie politici, maar zijn pogingen het regime om te vormen tot een constitutioneel keizerrijk blijven onvoltooid. In 1865 moet hij voortijdig het 'fête impériale' verlaten als hij op 53-jarige leeftijd vrij plotseling komt te overlijden.

Minister, ambassadeur, politicus, spoorwegmagnaat, industriebaron, beursspeculant, kunstverzamelaar, toneelschrijver van het zeer lichte genre, maar ook legendarisch vrouwen- en paardenliefhebber - Charles de Morny speelde op vele borden tegelijk, met allure en zonder scrupules. Hij was een omnivoor, een soort van superieure dilettant die zich met evenveel gemak bewoog in de salons van het keizerlijk paleis als in de boudoirs van de demi-mondaines. Hoewel hij bezeten was door een ontembare lust om van het leven te genieten, was Morny geen machtswellusteling in de zin dat hij alles opofferde voor de macht. Daarvoor hield hij teveel van het leven. Hij volstond ermee zich van de macht te bedienen.

Identiteit

Hij gebruikte zijn vele talenten, niet om een politieke missie te vervullen of een blijvend stempel te drukken op zijn tijd, maar om zich een eigen identiteit te verschaffen als een permanente revanche op zijn geboorte. Morny was in feite een man die leed aan zichzelf, in zichzelf en eigenlijk alleen een groot man wilde zijn voor zichzelf.

Nog tijdens zijn leven werd hij ingehaald door de literatuur. Alphonse Daudet beschrijft in zijn roman Le Nabab de zeden van het Tweede Keizerrijk, waarbij het personage van de Duc de Mora - gewetenloos en verteerd door een hartstocht voor vrouwen en geld - is gemodelleerd naar Morny. Zijn aristocratische leefstijl, zijn spilzucht en zijn schandalig privéleven vormden een gemakkelijk mikpunt voor de republikeinse moralisten. De roman Son Excellence Eugène Rougon van Emile Zola heeft de corruptie tot onderwerp. Morny verschijnt ten tonele in de persoon van de Comte de Marsy, het prototype van de schaamteloze hedonist, de speculant, 'de bandiet in de huid van een vaudevillist'. En de meest onverzoenlijke vijand van het Tweede Keizerrijk, Victor Hugo, beschrijft in L'hi Morny als een levensgenieter wiens frivoliteit moeiteloos overgaat in moorddadigheid, een gewiekste schurk met een onberispelijke elegantie, even infaam als aimabel.

Dat de figuur van Morny nog in onze tijd tot de verbeelding spreekt, bewijst het boek van Jean-Marie Rouart. Rouart is een schrijver die inmiddels een negental romans op zijn naam heeft staan. Met zijn Morny. Un voluptueux au pouvoir heeft hij geen historische biografie willen schrijven. Notenapparaat en bronnenregister ontbreken (illustraties jammer genoeg ook), aan de chronologie wordt niet altijd strikt de hand gehouden en de schrijver geeft zich graag over aan literaire uitweidingen. Met een mengeling van bewondering en mededogen voor zijn personage heeft Rouart toch een fascinerend literair portret geschreven dat men leest met hetzelfde plezier als waarmee het is opgetekend, in een lichte en elegante stijl die Morny op het lijf is geschreven.

    • J.E. Craanen