Banaal geweld begint met achteloosheid; De schuld van Tadic

De Bosnische Serviër Dusko Tadic zit op verdenking van oorlogsmisdaden vast in Scheveningen, waar hij deze week gezelschap kreeg van nog twee verdachten. Zouden wij onder dezelfde omstandigheden ook zo gehandeld hebben? Pleegde Tadic geweld uit eigen lust of voor de 'goede zaak'? Waarin verschilt hij van Eichmann? Een essay over ethische onverschilligheid en de criteria voor een 'onmens'. De ergste variant van geweld.

Ze zijn moeilijk vergelijkbaar, maar er zijn overeenkomsten. De verdediger van Eichmann voerde in 1961 ook al aan dat de rechtbank in Jeruzalem niet bevoegd was, omdat de rechters bevooroordeeld zouden zijn, zoals vorig jaar de advokaat van Tadic beweerde dat het internationaal tribunaal voor de berechting van oorlogsmisdadigers in voormalig Joegoslavië geen juridische grond had, omdat de Veiligheidsraad, die het tribunaal instelde, niet representatief was voor de Verenigde Naties. In beide gevallen werd het protest verworpen.

Een andere gelijkenis is de toon waarop verslag werd gedaan van de processen: het was ontzag en afkeer tegelijk. Minutieus werd de glazen kooi beschreven en elk detail van het wezen daarbinnen werd geregistreerd. Adolf Eichmann droeg een donker pak, zijn bewegingen waren stram, hij keek twee- of driemaal met een onbewogen gezicht de zaal in, hij hield het hoofd iets naar rechts en trok soms even met zijn mond, hij snoot eenmaal zijn neus en men zag toen zijn stijve handen lichtjes trillen.

Dusko Tadic droeg een donkerblauw colbert over een wit T-shirt en een nieuwe spijkerbroek. Hij had rooddoorlopen ogen en wallen daaronder, hij bewoog zich nauwelijks, maar kon zijn handen niet stil houden. Hij wreef over zijn neus, zijn mondhoeken trokken naar beneden, hij ontweek de blikken van de aanwezigen en keek somber de wereld in.

Zulke details in de krant suggereren maar één ding: dat het om meer gaat dan een berechting, dat de beklaagde voor meer staat dan zijn daad, dat er iets groters op het spel staat, iets angstwekkends, iets metafysisch.

Filosofen en schrijvers die het proces van Eichmann bijwoonden hebben achteraf uitgelegd waar hij het symbool van was geworden: 'Het Kwaad'. Voor Hannah Arendt bijvoorbeeld was de rechtszaak aanleiding om na te denken over de moeilijkste vragen van het menselijke bestaan: wat ons brengt tot kwaadaardigheid, of we in essentie goed zijn of slecht, of wandaden het gevolg zijn van ongelukkige omstandigheden en deugd dus een kwestie is van geluk, of we onze daden in volle vrijheid verrichten, danwel onder sociale dwang.

I n zekere zin leende een figuur als Eichmann zich voor diepzinnige bespiegelingen. Hij was medeverantwoordelijk voor de vergassing van miljoenen joden, voor deportaties van honderdduizenden, voor gedwongen abortussen, mishandelingen, moord op kinderen. Maar een man als Tadic? Aan hem valt, zo op het eerste gezicht, voor filosofen niet veel eer te behalen. Hij was kroegbaas, en karate-leraar. Volgens zijn aanklacht zou hij tijdens de oorlog in Joegoslavië in ieder geval dertien mensen hebben gedood, zestien anderen hebben mishandeld en een vrouw hebben verkracht.

Maar hij was maar een miezerige kampbewaarder, hij was uitvoerder van opdrachten en de opdrachtgevers blijven voorlopig buiten schot. Karadzic en Mladic zijn weliswaar in staat van beschuldiging gesteld, maar of ze ook zullen worden uitgeleverd is zeer de vraag. En het tribunaal in Den Haag mag mensen niet bij verstek veroordelen.

Bovendien beweert Tadic onschuldig te zijn. Zijn advocaat heeft al aangekondigd te zullen aantonen dat niet hij, maar iemand die op hem leek de verschrikkingen beging. Net als in het geval van Demjanjuk zal de aandacht zich dan richten op de getuigen, met vragen over hun geheugen en onderscheidingsvermogen en eindeloos gepsychologiseer over de gevolgen van traumatische ervaringen voor de menselijke herinnering en waarneming.

Dat is eigenlijk jammer. Interessanter was het geweest als de persoon van de dader al vaststond en kon worden onderzocht in hoeverre Tadic verantwoordelijk kan worden gesteld voor de gebeurtenissen. Of hij werkelijk autonoom handelde, dan wel onder het gezag van anderen. Hoe strikt en welomschreven zijn opdrachten waren en of hij ze uitvoerde met plezier of tegenzin. Welke gevolgen het moet hebben voor het vonnis als blijkt dat hij maar een schakel was in een keten van wandaden. Of die wandaden gezien de omstandigheden als zodanig kunnen worden aangemerkt. Of anderen, inclusief wijzelf, onder zulke omstandigheden anders zouden hebben gehandeld.

A l deze vragen zijn ook tijdens het Eichmann-proces aan de orde geweest, maar de schaal was toen een geheel andere, alsook de afstand tot het leed zelf. Zo vond de rechter in Eichmanns geval dat de administratieve afstand tussen willekeurig welke ambtenaar en de man die uiteindelijk de knop van de gaskamer indrukte geen invloed had op de omvang van de verantwoordelijkheid: “In het algemeen neemt de mate van verantwoordelijkheid veeleer toe met de afstand waarin de verantwoordelijke zich bevindt van degene die eigenhandig doodt.”

Hoe hoger in het apparaat, des te schuldiger, zei de rechter dus. Daarmee ging hij indirekt in op het pleidooi van Eichmanns verdediger, dat Eichmann maar een 'minuscuul radertje' was in de machinerie van de Endlösung. Eichmann was gehoorzaam en loyaal geweest, hij had discipline getoond, hij had zijn orders stipt opgevolgd. Onder andere omstandigheden zou hij daarvoor juist worden beloond.

De aanklager daarentegen had beweerd dat Eichmann zijn orders fanatieker opvolgde dan nodig was, dat hij plezier had in het uitvoeren van de meest waanzinnige opdrachten, dat hij genoot van zijn functie, dat hij, als hij maar een radertje was in de geoliede machine, daar in ieder geval ook nog behagen in schiep. Eichmann was dus niet alleen een keurige, brave, gezagsgetrouwe bureaucraat, zoals zijn verdediger hem presenteerde, maar een mens met lage driften en weerzinwekkende lusten. De Endlösung, zo stelde de aanklager in Jeruzalem, zou nooit zo'n succes zijn geworden als er niet zoveel Eichmannen waren geweest: mensen die niet alleen orders volgden, maar daar ook een persoonlijke bevrediging uit putten.

Hannah Arendt heeft over beide standpunten nagedacht en ze kwam tot de verrassende conclusie dat de aanklager ongelijk had. “Eichmann was geen Jago en geen Macbeth”, schrijft ze, “en nimmer zou hij met Richard III hebben kunnen besluiten 'een schurk te worden'.”

Behalve een ongewone ijver om alles te doen wat bevorderlijk kon zijn voor zijn carrière bezat Eichmann volgens Hannah Arendt in het geheel geen motieven. Door Eichmann af te schilderen als een monster dat genoot van zijn monsterlijkheid maakte de aanklager zijn daden juist bevattelijk: het bevredigen van onze lusten en hartstochten, is dat niet waar het ons allemaal om te doen is? Beschikt niet iedereen over lage driften, die de meesten van ons alleen beter weten te verdringen?

In dat geval was Eichmanns vervolging en berechting niet meer dan een voorwendsel om uitspraken te doen over 'de menselijke natuur' of 'de erfzonde'. Volgens Ahrendt, zou Eichmann zich dan met recht kunnen beroepen op het feit dat hij enkel de toevallige zondebok was, terwijl de gehele mensheid in de beklaagdenbank had moeten staan.

Nee, Eichmann was geen monster en geen sadist. Het veroorzaken van 'onnodig leed' vond ook hij een onvergeeflijke zonde. Hannah Arendt noteert: “Tijdens het proces gaf hij op onmiskenbare wijze blijk van oprechte verontwaardiging wanneer getuigen vertelden van wreedheden en gruweldaden die waren begaan door de SS. Wat Eichmann werkelijk opwond was niet de beschuldiging miljoenen mensen de dood in te hebben gejaagd, maar alleen de beschuldiging van een getuige, dat hij een joodse jongen had doodgeslagen.”

Eichmann was dus oprecht toen hij tijdens het proces zei: “Ich bin nicht der Unmensch, zu dem man mich macht.”

E n Tadic, is hij wel een onmens? Het is nog niet duidelijk hoe de openbare aanklager hem zal presenteren, in de tenlastelegging zijn daarvoor niet veel aanwijzingen. Op vrij neutrale toon zijn de beschuldigingen geformuleerd: hij nam deel aan plunderingen, executies, folteringen en seksuele mishandelingen. Alleen op drie punten is de aanklacht specifieker en krijgen we een beeld van de beklaagde: tegen eind juni of begin juli 1992 hebben Serviërs, onder wie Dusko Tadic, een aantal gevangenen van het Omarska-kamp gedwongen om te drinken uit plassen water op de grond. De Serviërs gingen zitten op de ruggen van de gevangenen en sloegen hen alsof ze beesten waren. Na afloop spoot Tadic een brandblusapparaat leeg in de mond van een van de slachtoffers.

Volgens een andere beschuldiging heeft Tadic samen met andere Serviërs de gevangene 'G' gedwongen om de gevangene Harambasic seksueel te verminken. Harambasic stierf aan zijn verwonding. Achter deze onduidelijke formulering gaat het gerucht schuil dat Tadic 'G' zou hebben gedwongen de testikels van Harambasic af te bijten en op te eten.

De derde beschuldiging is het meest gericht op Tadic zelf. Een zekere vrouw 'F', die begin juni in het Omarska-kamp terecht kwam, werd naar een apart gebouw vlak bij de ingang van het kamp gebracht en in een kamer opgesloten. Toen kwam Tadic, en hij verkrachtte haar.

D it soort beschuldigingen roept het beeld op van iemand die uitsluitend de eigen lusten bevredigde. Een autonome dader, een ordinaire schurk, een boosaardige sadist die ook in het gewone leven niet zou hebben gedeugd en vroeg of laat in gevangenis of gekkenhuis zou zijn beland. Het is moeilijk voorstelbaar dat Tadic welomschreven bevelen ontving of zelf bevelen gaf. Hij staat veel dichter bij het leed dan Eichmann en als hij dus ergens het symbool van is, dan niet van het abstracte Kwaad, maar van het concrete Geweld.

Toch heeft geweld in vredestijd een andere betekenis dan in tijden van oorlog. Dusko Tadic droeg een uniform van het Servische leger, zoals ook zijn medeplichtigen, en zijn slachtoffers waren hun oorlogsgevangenen. Deze twee triviaal lijkende feiten zijn van belang als we willen bepalen of Tadic gezien moet worden als een krankzinnig monster dat op individuele verantwoordelijkheid handelde - tot zover je bij krankzinnigen van verantwoordelijkheid kunt spreken - of als een 'miniscuul radertje' in de machinerie van de etnische zuivering door de Serviërs.

I n de beschavingsgeschiedenis, zo lezen we bij Norbert Elias in zijn grote werk Het Civilisatie proces, was het tot in de middeleeuwen de gewoonte om oorlogsgevangenen te verminken, omdat het te kostbaar was hen te onderhouden. Het pijnigen en kwellen van anderen werd sowieso niet bedwongen. Het was heel gewoon dat de sterkere de zwakkere toetakelde, dat de ridder zijn rivaal de armen afhakte, de rover de ogen van zijn slachtoffer indrukte en dat de meesteres een dienstmeid de borsten afsneed of de nagels uittrok.

Deze gewelddadigheden waren sociaal nog niet verboden. De lust die men beleefde aan het martelen en doden van anderen was groot en het was een maatschappelijk geaccepteerde vorm van plezier. Pas met het ontstaan van een centraal gezag, dat het geweld monopoliseerde, werd de lust tot wreedheid 'verfijnd' en 'geciviliseerd'.

Alleen in tijden van oproer of in gebieden waar de maatschappelijke controle zwakker is, bijvoorbeeld in de koloniën, uiten deze lustvormen zich weer rechtstreeks en zijn ze minder getemperd en minder door schaamte omgeven. Waarschijnlijk is daarom de koloniale geschiedenis voor de meeste kolonie-bezitters zo pijnlijk. Nog geen anderhalve eeuw geleden werden gevangenen in Suriname opgehangen aan ijzeren haken door de ribben, of levend verbrand of werden, voor mindere vergrijpen, hun tongen afgesneden of werden ze tot bloedens toe gegeseld. En volgens het rapport dat de officier van justitie J.L.T. Rhemrev maakte in Indië, liet een assistent van de Deli-maatschappij in 1896 twee Javaanse vrouwen uitkleden en op de blote billen zwepen tot ze overdekt waren met striemen, waarna hij fijn gemalen spaanse peper op de billen en genitaliën liet wrijven en de vrouwen tussen twee palen liet vastbinden, met de benen gespreid, op een plek waar iedereen hen kon zien.

M aar hier in Europa was het geweld intussen meer ingetoomd, gematigd, onderhevig aan zelfdwang en zelfbeheersing. Een van de eerste tekenen daarvan vond Johan Huizinga in een biografische roman uit 1465, over de Franse ridder Jean de Bueil. In Herfsttij der Middeleeuwen citeert Huizinga de ridder: “Hoe heerlijk is de oorlog. Zie je dat je voor een goede zaak strijdt en dat de jouwen dapper vechten, dan komen de tranen in je ogen. Een zoete vreugde komt op in je hart als je voelt hoe oprecht en trouw we elkaar bijstaan. En wanneer je ziet hoe je vriend zijn lichaam zo dapper aan het gevaar blootstelt om het gebod van onze Schepper te gehoorzamen, dan besluit je erop af te gaan en met hem te leven of te sterven en hem nooit om een lief te verlaten.”

Zowel Huizinga als Elias zien deze passage als een bewijs voor de overgang van het geweld gepleegd uit eigen lust naar het geweld gepleegd uit motieven buiten zichzelf. Men zou kunnen zeggen: de overgang van onverfijnd naar verfijnd geweld. En inderdaad komen de drie belangrijkste motieven voor 'verfijnd geweld' in dit citaat al tot uiting: het gebod van de Schepper, de Goede Zaak en de vriendschap.

Het eerste motief, het gebod van de Schepper, is sinds de kruistochten enigszins in onbruik geraakt, hoewel de fundamentalisten van Algerije het vrijwel dagelijks gebruiken en ook Tadic zal hebben geluisterd naar de Heer van de Grieks-orthodoxe kerk voordat hij de moslims te lijf ging.

De 'Goede Zaak' is een algemener motief, zoals vrijheid en democratie waar de Amerikanen in Vietnam voor streden, of de etnische zuiverheid waar Tadic zich voor inzette. De moeilijkheid is alleen dat er erg veel propaganda nodig is om goede zaken langdurig 'goed' te houden. In het geval van Vietnam werd de goede zaak dankzij subversieve schrijvers en journalisten langzaam maar zeker een foute zaak en werd de nederlaag onafwendbaar.

Maar vooral het laatste motief is curieus: je gaat erop af wanneer je je vriend zijn lichaam aan het gevaar ziet bloot stellen, je besluit met hem te leven of te sterven 'en hem nooit om een lief te verlaten.' Hierin wordt het directe verband gelegd tussen vriendschap en geweld, waar de vrouw van is uitgesloten. De liefde van de man voor de vrouw heeft kennelijk andere uitingsvormen: hij kan seks hebben met haar, hij kan kinderen bij haar verwekken, voor haar zorgen.

Dat kunnen mannen onderling niet. Buiten de homoseksuele relatie kan een man zijn liefde voor een andere man niet lichamelijk uiten, hij kan hem niet kussen en knuffelen, hij kan hem niet teder strelen en hem fluisterend eeuwige trouw beloven. Maar hij kan iets doen wat meer is, wat het hoogste is van wat de mens kan bereiken: hij kan zijn zedelijkheid en menselijkheid offeren, door voor zijn vriend te doden. En hoger nog: hij kan zijn lichaam en zijn leven offeren, door voor zijn vriend te sterven.

De combinatie van kameraadschap en mannelijkheid leidt natuurlijk vooral in extreme situaties als de oorlog tot zulke hoge offers. En men kan zich voorstellen dat zelfs binnen de oorlogstoestand de bereidheid om te doden of te sterven zich min of meer gescheiden voordoet: geweld ondergaan kun je het beste aan het front, en geweld plegen kun je naar hartelust in het afgelegen kamp voor oorlogsgevangenen.

W aarmee we terug zijn bij Tadic. Van Tadic wordt gezegd dat hij al voor de oorlog een rare kerel was. Hij zou een bordje op de deur van zijn kroeg hebben gespijkerd met het opschrift 'Verboden voor moslims'. Nacht na nacht werd in zijn kroeg gedebatteerd over hoe de moslims moesten worden aangepakt. En van Tadic zelf werd veel verwacht, omdat hij een zwarte dan in karate had. Men herinnert zich Tadic als een man die zich stoer en opvallend gedroeg, anderen provoceerde en vechtpartijen uitlokte.

Verder beweert men dat Tadic helemaal geen reguliere kampbewaarder was, maar een soort vrijwilliger die voor zijn plezier naar het Omarska-kamp kwam om met zijn vrienden lol te maken. Maar het opvallende is dat hij nooit iets heimelijk deed. Hij deed alles in het openbaar, altijd in het bijzijn van zijn maten, en hij genoot enig gezag omdat hij de populairste was van de groep.

Dit gegeven, samen met het feit dat hij een uniform droeg, brengt zijn gewelddadigheid in het juiste licht: wat hij deed, deed hij voor zijn kameraden, en voor de goede zaak van de etnische zuiverheid en mede in naam van de Schepper. Tadic was geen stiekeme lustbevrediger, maar een ridder van na de vijftiende eeuw, een 'verfijnde' geweldspleger in de zin van Elias.

Alleen door de verkrachting van 'F' wordt dit beeld wat vertroebeld. Dat deed hij even voor zichzelf, schijnbaar, maar alle andere daden werden verricht om indruk te maken op zijn kornuiten. Tadic handelde misschien niet onder het rechtstreekse gezag van anderen, maar wel ten behoeve van anderen, waardoor hij niet kan worden gezien als een 'autonome dader' die zijn activiteiten in volle vrijheid en onder strikte eigen verantwoordelijkheid verrichtte.

Z o wordt Tadic weer vergelijkbaar met Eichmann. De aanklager in Jeruzalem probeerde het pleidooi van de verdediger - dat Eichmann maar een 'minuscuul radertje' was - te weerleggen omdat hij bang was dat de beklaagde daardoor minder verantwoordelijk en minder schuldig zou lijken. Maar, stelt Hannah Arendt, zijn schuld wordt niet bepaald door de vraag of hij een groot of klein radertje was en ook niet of hij demonisch, godvrezend of vredelievend was. Binnen de omstandigheid waarin Eichmann verkeerde was hij doodnormaal, maar dat kon hem toch worden aangerekend. Hij beging namelijk de ergste variant van het kwaad: het banale kwaad, dat het gevolg is van gedachteloosheid, van onnadenkendheid. Het moment waarop we geen aandacht meer hebben voor de morele consequenties van onze handelingen, het moment waarop we niet meer stil staan bij de ethische gevolgen van de alledaagse gedragingen van onszelf en onze naasten, zijn we vatbaar voor het banale kwaad en potentieel medeplichtig aan misdaad.

Het verontrustende van een figuur als Eichmann was niet dat hij iets deed wat wij zelf nooit zouden hebben gedaan, maar dat hij de omstandigheid, die door anderen was gecreëerd, had aanvaard als volkomen normaal, gewoon en vanzelfsprekend. Daarom was Eichmann schuldig.

En daarom zal ook Tadic schuldig moeten worden bevonden en veroordeeld, als wordt aangetoond dat hij de man is op wie de beschuldigingen betrekking hebben. Tadic was geen geperverteerde sadist die dingen deed die anderen in zijn omgeving niet deden of waarmee ze niet instemden. En natuurlijk was Tadic maar een minuscuul radertje in de Servische machine van de etnische zuivering. Maar zoals Eichmann schuldig was aan het 'banale kwaad', zo kan Tadic schuldig worden bevonden aan het 'banale geweld'. Het geweld was in het Omarska-kamp immers gebruikelijk en niets bijzonders. Als wij Servische kampbewaarders waren geweest, zouden ook wij schuldig zijn: niet alleen aan deelname aan het geweld, maar vooral aan onoplettendheid, aan ethische onverschilligheid, gebrek aan aandacht.

Toch heeft het feit dat Tadic in omstandigheden handelde 'die door anderen waren gecreëerd' heel speciale consequenties. De wereldgemeenschap heeft Tadic terecht ter verantwoording geroepen, maar hierdoor is de wereldgemeenschap moreel verplicht ook degenen die de omstandigheden schiepen te berechten. Als de politieke wil om lieden als Karadzic en Mladic daadwerkelijk te vervolgen niet bestaat, als die wil onoprecht en geveinsd is, omdat 'het vredesproces' in gevaar zou komen of omdat men toestaat dat de NAVO-troepen ter plaatse hun medewerking bij de opsporing weigeren; als dus de scheppers van de voorwaarden waaronder mensen als Tadic hun gang konden gaan buiten schot blijven, is de veroordeling van Tadic een farce en zou hij bijna moeten worden vrijgelaten. Want dan maakt de wereldgemeenschap zich schuldig aan dezelfde ethische onachtzaamheid als Tadic en Eichmann.